Bijzonder

Nederlandse motorfietsen

By  | 

In de begindagen van ‘iets nieuws’ probeert iedereen dapper van alles. Dat is de ´cowboytijd´. Denk maar aan internet van nog maar een paar jaar geleden. Dan kristalliseert de markt zich uit en stabiliseert. Daarna komen de managers en marketeers en wordt het leven saai en voorspelbaar en krijg je motorfietsen met tweehonderd pk en met meer computercapaciteit dan de maanlander had. Saai…

Aan het begin van de vorige eeuw begon de motorisering lekker op gang te komen. Het nieuwe concept werd breed opgepakt en de toekomst was stralend. En motorfietsen waren duidelijk toekomst! Dat was ook het idee dat bij een heel stel Nederlanders op kwam.

 

En dat terwijl J.D. Carley Senior de oervader van de rotatie- of wankelmotor was, Dopper in 1904 de eerste dieselmotorfiets had bedacht en gemaakt en Juncker in 1932 een elektrische motorfiets op de markt bracht. Alle belangrijke uitvindingen komen dus uit Nederland. Yes!

Motorfietsen en hun toekomst

Die fijne toekomstvisie inspireerde vanaf zeg maar 1900 tot in de tweede helft van de jaren vijftig in elk geval meer dan 30 (!) Nederlandse bedrijven om motorfietsen te gaan maken. Meer dan 30 Nederlandse motormerken. En daarvan zitten alleen Eysink en Sparta (plus de Van Veen OCR 1000) aan de schemerranden van ons collectieve geheugen. Er zijn dus veel meer Nederlandse ‘motormerken’, maar dat waren voornamelijk eenmalig of in minimale series gebouwde wedstrijdmotoren met ‘letternamen’ waarin de naam van de bouwer de trotse as was waar alles om draaide. Dat afkortingengebeuren in dat wereldje was soms nogal apart zoals bij de befaamde FPT Specials van de unieke coureur/kwajongen-rommelaar/regelaar Rob Bron. Toen een onder de indruk zijnde reporter van een lokaal Drents blad hem beschroomd vroeg waar de indrukwekkende afkorting FPT op zijn wedstrijdmotor voor stond legde de onnavolgbare Amsterdammer uit de Vechtstraat dat met een stalen gezicht uit aan de journalist: FPT stond voor “Fluitje, poepie, tralala”.


De Nederlandsche merken

Welke naam is er nog goed voor een ‘Oh ja!’ moment? Altena, Batavus, BMI, Burgers, Carley, Cyrus, DMF, Dopper, Eenhoorn, Entrop, Eysink, Fama, F=ongers, Gazelle, Germaan, Hinde, Hoenson, Huisman, Juncker, Kaptein, Kestein, Lloyd, ISE, Meyer, New Rapid, Otten’s Motor, Simplex, Sparta, Vierkleur, Vulkaan en Wilhelmina. Toch was elk van die merken gestart met het idee om gouden zaken te doen en geschiedenis te schrijven.

Het grootste deel van de Nederlandse motorproductie bestond uit ‘klein spul’. Uit motorfietsen zoals motorfietsen bedoeld waren: betaalbaar gemotoriseerd vervoer. Daarbij waren de aantallen zo klein dat de motorblokjes (en motorblokken) van buitenlandse leveranciers zoals JAP en JLO werden betrokken. Om zich in een erg drukke markt te onderscheiden werd in het kader van de marketing 1.0 de kreet ‘Koopt Vaderlandsch Product’ gehanteerd. ´Koopt Nederlandse waar, dan helpen wij elkaar’ en ‘Koopt toch in den vreemde niet, wat het eigen land U biedt’ waren natuurlijk ook ijzersterkte kreten. Ze mochten niet baten.

Altena, A. van Altena

Maar ver voor die tijd, in het prille begin van het motorrijden, was er een bedrijf dat als eerste in Nederland motorfietsen begon te maken. De naam er van begon daarbij passend met de eerste letter van het alfabet: Altena. En bij Altena maakten ze hun eigen motorblokken. Het bedrijf hield zich ook bezig met de bouw van fietsen, automobielen en motorboten. De Altena motorfietsen scoorden op beurzen en in wedstrijden. Klanten schreven lofzangen over de betrouwbaarheid van hun Altena’s. Tot in Engeland aan toe. Hoewel de Britten natuurlijk zelf plenty ´Vaderlandsch Product´ produceerden. Maar voor Nederland hield de kreet stand.

Ach, het is maar net hoe je het brengt

Dat Nederlandsch Opportunisme daarin mee speelde bleek uit de Hoenson 250 cc tweetakt twin uit het midden van de jaren vijftig. Dat was domweg dezelfde motorfiets die het Duitse Express maakte, maar dan met andere tank en absoluut Nederlandsche stickers. Het mocht niet baten. De NV Internationale Motoren en Rijwielfabriek uit Haarlem was ‘motorfietsfabrikant’ tussen 1954 en 1955.

Al met al is Nederland op motorfietsgebied nooit een tweede Engeland of Japan geworden. Onze thuismarkt was te klein en het aanbod van buitenlandse motoren was indrukwekkend.

Er zijn nog een paar fenomenale oprispingen geweest zoals de Van Veen OCR 1000 en de (diesel) Track 800.

En dat is een Track 800 met een bewust onherkenbare eigenaar

 

suggestiebanner

Ook leuk om te lezen…

Nu in de winkel

Auto Motor Klassiek van februari ligt nu in de winkel met deze maand een uitgebreid artikel over de Taunus 12M P4 van Fokke Jansma uit Wijnjewoude. Een opmerkelijk goed geconserveerde klassieker, die een bijzondere ontwerpgeschiedenis heeft. We mochten ook rijden in een tot in het kleinste detail perfecte Triumph 2000 Roadster. Hoe dat aanvoelt? U leest het in het februarinummer. Mocht u ooit van plan zijn een Opel Senator aan te schaffen, dan is het goed dat u dit nummer in huis heeft, want Aart van der Haagen doet uitgebreid uit de doeken, waar u dan rekening mee moet houden. Het een en ander aan aankooptips vindt u ook bij het artikel over de Citroën Dyane. Een auto die we troffen met zijn eigenaar op een terras tijdens een werkoverleg.

En verder:

De restauratie van een Nimbus Model C en een Norton M50. Waarom er zo weinig Opels over zijn? Dat leest u ook in dit nummer. De liefhebberij van een in Spanje wonende Nederlander, die ook geldt als dé specialist voor de Fiat 130. En ook in dit nummer; bijna dertig pagina’s korte berichten, verslagen, praktische tips, columns en korte typebeschrijvingen. Bovendien natuurlijk ook meer dan veertig pagina’s met klassiekers te koop, die soms online niet verder aangeboden worden.
ABONNEER NU EN MIS HET VOLGENDE NUMMER NIET MEER

Dolf Peeters

Dolf Peeters, automotive journalist, tekstschrijver, vertaler, lid van de Heeren van Arnhem

2 Comments

  1. Rjab

    7 januari, 2020 at 20:37

    Was t niet de Track T800? Wel een mooi concept met een MBenz Smart Diesel EN een variomaat. Zou zo naast een Daf kunnen zodra hij oud is. Geen idee hoe Track aan zn eind is gekomen. Enig idee?? Was misschien wel een goeie legermotor voor de VS geweest ivm de 1 fuel policy. Was dacht ik ook wel een zuinige motor die weinig onderhoud nodig had en voor de laaaange (wereldreizigers) afstand was gebouwd.

    • Dolf Peeters

      8 januari, 2020 at 09:16

      Was voor mij een raar verhaal. De bouwer – Erik Vegt – deed er vaag over, maar er moet een investeerder achter hebben gezeten. Maar er waren domweg geen kopers. Avontuurlijke motorrijders gaan immers altijd voor het zekere; ze scoren een BMW GS. En om aan defensie te mogen leveren moet je een NATO stocknummer, een ijzeren lobbynetwerk en eindeloos veel geduld en steekpenningen hebben. hebben Aan de andere kant: passie is vaak de sterkte investeerder. De diesel van Startrwin is ook helemaal uit eigen knip betaald

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *