Column

Das war einmal: Duitse Auto’s

By  | 

Duitse auto’s waren jarenlang de maatstaf, maar op alle vlakken doen zij er op een andere wijze toe dan vroeger. Het heeft niet alleen met de inmiddels uitgekouwde sjoemel praktijken te maken. Ook de geluiden over de tanende technische kwaliteit bij diverse Duitse merken nemen in omvang toe. En nu is daar ook nog een kartelschandaaltje aan toegevoegd. Geld kost principes. Precies. U leest het goed.

Al jaren hanteren de Duitsers met hun Duitse auto’s het principe winst vóór betrouwbaarheid. En jarenlang konden de fabrikanten nog teren op historische kernwaarden. Zij doen het nog steeds. En nog altijd vult mijn mailbox zich met importeur-PR, waarin valt te lezen dat er weer verkooprecords zijn gebroken. Maar vroeg of laat komen de Germaanse autobouwers daar niet meer mee weg. Krediet is niet onuitputtelijk. Uitgangspunten als bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid staan in meerdere opzichten onder druk. En juist dát zijn begrippen, die de gehele Duitse automobielindustrie een vooraanstaande positie gaven.

Dat imago werd vooral ná de Tweede Wereldoorlog zorgvuldig opgebouwd door de Duitse autofabrikanten. Alle merken stonden in een zodanige mate voor kwaliteit, dat het echt opviel als een auto in kwalitatief opzicht door de mand viel. Wanneer ik met klassiekers of youngtimers uit Duitsland rijd, voél ik die kwaliteit ook daadwerkelijk. Een standaard, die zijn hoogtepunt bereikte in de tachtiger en de eerste helft van de negentiger jaren. Wie bijvoorbeeld in een Audi 80 B3 en B4, een Mercedes Benz W123 en W124, een Fünfer, een Siebener of een VW Passat uit die jaren heeft gereden weet wat ik bedoel.

Die tijden zijn in meerdere opzichten voorbij. Sceptici zullen ondertussen denken dat ik met plezier de Duitse bevindingen deel. Niets is minder waar. Mijn autoliefde werd gevoed door Engelse eigenwijsheid, Franse eigenzinnigheid, Japanse slimheid en temperamentvolle Italiaanse fijnzinnigheid. Met Zweedse veiligheid. Een vleugje Amerikaanse grootsheid. En met Duitse kwaliteit, bij vlagen ongenaakbaar binnen mijn auto hiërarchie. Het doet pijn om te constateren dat die beleving bij het huidige Duitse aanbod voor mij niet meer hetzelfde is als vroeger. Made in West Germany is voor mij een kwaliteitsecho uit het verleden. “Maar iedereen sjoemelt. Iedereen werkt samen. En iedereen bespaart”, hoor je dan. Dat zal zo zijn, maar voor een toonaangevende autonatie mag dat nooit als excuus gelden. Zoals het voor niemand een excuus hoort te zijn.

Innovatie is bijvoorbeeld bij Volkswagen en Audi het toverwoord. Het inmiddels Franse Opel blijft Duits rijden betaalbaar maken. En de adagia “Das Beste oder Nichts” en “Freude am Fahren” zijn nog steeds actueel, maar passen vooral bij de Zuid Duitse aartsrivalen uit Andere Tijden. Zekerheden van vroeger zijn verworden tot licht holle klanken. Ondertussen voeren Kia (al dan niet dankzij de Duitser Peter Schreyer) en Toyota de lijstjes aan die luisteren naar {JD Power en meest waardevol merk ter wereld. Bovendien behoren zij, samen met een aantal mede Aziaten, tot de meest betrouwbare auto’s die worden gebouwd. Ondanks de talrijke terugroepacties.

Hoe dan ook. Ik kan niet meer zo goed tegen de vermeende ongenaakbaarheid van de Duitse auto’s, die nog steeds aansprekende automobielen bouwen, maar wél met hun historische uitgangspunten degelijkheid, punctualiteit en betrouwbaarheid aan de haal zijn gegaan. En in bepaalde gevallen meetwaarden manipuleerden en prijsafspraken maakten om de verkoopcijfers in opwaartse lijn te houden. Onberispelijkheid? Onomstreden?Das war einmal. Gelukkig zijn de Germaanse klassiekers en youngtimers er nog in overvloed. Zij bewijzen, dat het adagium “vroeger was alles beter” wel degelijk bestaat.

6 Comments

  1. Dolf

    9 november, 2017 at 20:38

    Ai, dat moet een bod boven de 500 e opleveren voor mijn Audi 100 1900 vijfpitter uit 1983. Uit garagistenhoek hoor ik allemaal horrorverhalen over de elektronica in nieuwe auto’s. We boffen met onze goeie smaak 🙂

  2. PeterU

    26 oktober, 2017 at 11:02

    Ik heb een nog best mooie Audi 80 B4, waar ik nog wel een tijdje in hoop te rijden. De teller kruipt langzaam richting 300.000 km. Er gaat wel eens iets aan kapot, maar onderhoud is niet duur en onderdelen kosten over het algemeen weinig. Mijn garage verdient weinig aan mijn auto (afkloppen), maar ze geven mij groot gelijk dat ik de wagen aanhoudt.

    Audi’s van nu zijn mooie, snelle wagens, maar het bezit ervan zou ik -los van de aanschaf- niet kunnen betalen. Nu ben ik aan onderhoud en apk meestal enkele honderden euro’s per jaar kwijt.

  3. Johsh

    25 oktober, 2017 at 19:10

    Ja en nee. Als je een keer in een bmw 330i hebt gereden dan wil je niets anders meer…..

  4. karin

    25 oktober, 2017 at 18:38

    verhaal klopt. ik heb dezelfde ervaring. ik ben al jaren geleden overgestapt van bmw naar lexus. nooit spijt van gehad en duidelijk minder storingen en dus veel minder onderhoudskosten

  5. B.hagens

    25 oktober, 2017 at 06:42

    Volledig eens met de schrijver twee jaar geleden een passaat aangeschaft dieklaarblijkelijk in een lada fabriek gebouwd is commentaar van de firma pon op klachten daarkunnen we niets aandoen is af fabriek zo voor mij nooit meer een volks. Wagen

  6. W.Kalfsvel

    24 oktober, 2017 at 20:30

    Al reeds twintig jaar geleden constateerde ik na drie golfjes en twee jetta’s dat dit merk slechter was dan bv een japanner en niemand geloofde mij maar van VW had ik mijn buik vol en zou zo’n veel slechtere auto die ook nog is veel te duur is , nooit meer aanschaffen.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

X
X