Motoren

Triumph Bonneville. Niet origineel wel echt

By  | 

“Triumph Bonneville.” Dat waren woorden waar heel wat jeugdige brommerrijders van toen een wat glazige blik van in de ogen kregen. En de mannen die zo’n machine bezaten? Dat waren welhaast Goden. De Triumph Bonnevilles waren zware, razendsnelle, perfect sturende machines in hun tijd. Het waren zeker geen commuter bikes, geen fietsen voor woon-werkverkeer.

De Bonneville T120 is, was een Triumph T110 met twee carburateurs

De eerste Bonnie zag de podia in 1958. En de typeaanduiding? Testrijder Percy Tait haalde met deze machine een topsnelheid van 120 mijl per uur (193 km/uur). Vandaar ‘T120’. De naam ‘Bonneville’ werd gekozen omdat Johnny Allen in 1956 op de Bonneville-zoutvlakte met een gestroomlijnde Triumph een topsnelheid van 345 km/uur had bereikt.

 

En Triumph genie en dictator Edward Turner was er niet blij mee

Want die vond hoog vermogende motorfietsen en motorraces onzin en zonde van het geld. Regelmatig liet hij mopperig weten dat de Bonnevilles Triumph regelrecht naar het bankroet zou leiden. Daar had het merk de Triumph Bonneville niet voor nodig.

Het management in de algehele Britse motorindustrie en de toen oppermachtige vakbonden klaarden die klus op een veel dramatischer manier. De Bonneville werd echter een enorm succes in the States, het ‘land’ waar aan de meeste Britse en Italiaanse motorfabrikanten hun bestaan aan ontleenden.


De Amerikaanse importeurs gaven hun wensen vaak door in ‘opdrachten aan de fabrieken’. De Triumph Bonnevilles waren er zo succesvol dat Harley-Davidson zich tijdens de thuiswedstrijd in het nauw gedreven voelde en de Sportster lijn ontwikkelde als tegenhanger van al dat Britse geweld.

Intussen zijn Sportsters voor veel Harley rijders ‘wijvenfietsen’ en zijn de Bonnevilles heel succesvol terug van weggeweest. Alleen zijn ze in de loop der jaren, net als de meesten van ons, hun jeugdige rankheid kwijt geraakt.

Een Triumph Bonneville kopen was een serieuze zaak

Bonnies waren dure machines en mogelijk hebben ze aan het begin gestaan van het idee om motorfietsen te gaan financieren. Op een gegeven moment kwamen de grote Triumphs natuurlijk tweede, derde tot zoveelste hands te koop.

En de toeleveranciers hadden een indrukwekkend pakket aan moois om de Triumph Bonneville nog sneller te laten maken of te laten lijken. Er werden zelfs nieuwe, betere en liefdevol gefabriceerde frames aangeboden.

Maar andere uitlaatdempers (die minder dempten) ‘swept back pipes’ voor meer grondspeling in bochten, andere carburateurs of in elk geval ‘kelken’ in plaats van luchtfilters, sportievere tanks, aluminium spatbordjes, strakke stuurtjes, andere voorremmen (Robinson leverde voorremmen met acht oplopende remschoenen), rearsets om de voeten verder naar achteren te zetten, sportzitjes en allerlei mooie, gegoten aluminium dekseltjes en dopjes. Stervormige uitlaatbochtklemmen ter grote van een theekopjesschotel volslagen daas? Nee hoor! Je moest ze hebben!

Intussen zitten we in een tijd waarin achtereenvolgens gerestaureerd en authentiek de normen zijn

In dat spanningsveld zijn er nog veel motorfietsen, niet alleen Triumphs, die door het oog van ‘de markt & kenners’ domweg niet interessant zijn omdat ze ’versleuteld’ zijn. Het terug naar origineel tot ZGAN brengen van dat soort motoren is zelfs bij zeldzame en gezochte 1968-1969 modellen financieel geen zinnig idee. Maar wat is er mis met zo’n machine?

Als het geen doodvermoeid lekkend kadaver is, maar een machine waar eigenaars naar eigen smaak mee bezig zijn geweest? In dat soort gevallen kun je een Bonneville kopen die tijds-origineel in plaats van fabrieksorigineel is. En dat kan zomaar een motorfiets zijn die gewoon altijd zijn onderhoud heeft gehad.

Ze stammen immers uit de tijd dat veel motorrijders nog veel technisch onderlegder waren dan dat ze nu zijn. Het is niet voor niets dat uit de lezerstests van wijlen weekblad ‘Motor’ (in zwart/wit en op krantenpapier) bleek dat de meeste motorrijders en vak/ambachtsmatige achtergrond hadden.

Daarbij is zo’n ‘echte’ maar verbouwde Bonneville bruikbaarder en goedkoper dan een mooie Tribsa of Triton

Want onlangs merkte iemand, die zo’n ‘bastaard’ volgens de regelen der kunst en met een open budget had opgebouwd, dat zijn knieën niet zover meer bogen als veertig jaar geleden. Zijn nog niet eens ingereden meesterwerk staat daarom nu perfect uitgelicht in de woonkamer.

De motor op de plaatjes is van een kameraad

Hij was het ding eigenlijk vergeten. De machine is weer opgestart en loopt prima. En hij maakt enorm veel lawaai. Dat was vroeger een pure plus. Maar in het hypercorrecte Nederland is de degeneratie inmiddels zover doorgeslagen dat hij bij een testrit zag dat kinderen huilend en met de handen voor de oren wegrenden.

Tijdens een stop werd hij verwijtend toegesproken door een niet onaardig ogende dertigster. Hij voelde zich niet bezwaard over de huilende kinderen. Hij zag de pluspunten van het door een jonge blondine te worden aangesproken.

Maar de Triumph Bonneville mag weg. Want het terugvinden van de twin was grappig, maar voelde niet aan als de terugkeer van de Verloren Zoon. En bovendien heeft Sander nog een andere klassieker die ook al zo goed bij stem is. En twee schreeuwlekijken in de schuur? Dat is vragen om ruzie in de tent.

Maar zijn vondst zette ons wel aan het denken hoe belangrijk originaliteit is. Het zal best wel. Maar voor ons gevoel kan niets op tegen dikke pret.

Triumph Bonneville

Zo kan een Triumph Bonneville er natuurlijk ook uitzien

Triumph Bonneville

Het toppunt van zelfwerkzaamheid: De Paladijn

 

Triumph Bonneville

Dunstall ‘Black Cap’ decibel silencers.’ Geen Chinaware natuurlijk

 

 

suggestiebanner

Ook leuk om te lezen…

Nu in de winkel

Auto Motor Klassiek van februari ligt nu in de winkel met deze maand een uitgebreid artikel over de Taunus 12M P4 van Fokke Jansma uit Wijnjewoude. Een opmerkelijk goed geconserveerde klassieker, die een bijzondere ontwerpgeschiedenis heeft. We mochten ook rijden in een tot in het kleinste detail perfecte Triumph 2000 Roadster. Hoe dat aanvoelt? U leest het in het februarinummer. Mocht u ooit van plan zijn een Opel Senator aan te schaffen, dan is het goed dat u dit nummer in huis heeft, want Aart van der Haagen doet uitgebreid uit de doeken, waar u dan rekening mee moet houden. Het een en ander aan aankooptips vindt u ook bij het artikel over de Citroën Dyane. Een auto die we troffen met zijn eigenaar op een terras tijdens een werkoverleg.

En verder:

De restauratie van een Nimbus Model C en een Norton M50. Waarom er zo weinig Opels over zijn? Dat leest u ook in dit nummer. De liefhebberij van een in Spanje wonende Nederlander, die ook geldt als dé specialist voor de Fiat 130. En ook in dit nummer; bijna dertig pagina’s korte berichten, verslagen, praktische tips, columns en korte typebeschrijvingen. Bovendien natuurlijk ook meer dan veertig pagina’s met klassiekers te koop, die soms online niet verder aangeboden worden.
ABONNEER NU EN MIS HET VOLGENDE NUMMER NIET MEER

Dolf Peeters

Dolf Peeters, automotive journalist, tekstschrijver, vertaler, lid van de Heeren van Arnhem

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *