Historie

Klassieke motorfietsen, zoals Ratier en UT

By  | 

Het is eigenlijk raar dat we het altijd maar over een paar namen en modellen hebben in de klassieke motorwereld. The ‘usual suspects’ zijn natuurlijk Harley-Davidson, de BMW boxers , de zware fietsen van de grote Britse merken en de vier reuzen uit Japan plus meer dan een handvol van de mooiste geschiedenis uit Italië.

Maar er was en is zoveel meer aan klassieke motorfietsen

En voor al die merken is er in elk geval een (beperkte) groep liefhebbers. Want we zien de leden van iets als een club voor het motormerk Ratier (1955-1963) nog niet het Gelredome vullen. Ratier was trouwens een merk dat min of meer uit toeval ontstond uit de Franse firma’s CMR en Cemec.

De Franse overheid had bij Cemec een grote order voor het (op oorlogsbuit, de BMW BMW R12/71 modellen gebaseerde ) type L7 gekocht. Maar de onderdelen voorziening daar voor was erg krap geworden. Ratier liet het niet bij de productie van onderdelen, maar maakte in 1959 nog een nieuwe serie van de oude zijklep boxers. Daarnaast bedachten ze ook moderne kopkleppers van krap 600 cc met een verbeterd frame. Dat type werd in de vroege jaren zestig inclusief verende achtervork en telescoopvoorvork verkocht als de C6 S.

Ook zo’n weinig bekend merk: UT

De merknaam is een soort van afgeleide van Unterürkheim, een voorstadje van Stuttgart. Daar begon Hermann Scheihing in 1922 met de productie van motorfietsen. Hij bouwde Bekamo motoren met een cilinderinhoud tot 250 cc liggend in lage buizenframes. De door Hugo Ruppe ontwikkelde tweetakten waren voorzien van compressoren. Drie jaar na oprichting moest Scheihing zijn bedrijf verkopen en de nieuwe eigenaar werd de machinefabriek Bergmüller & Co.

Vanaf dat moment hadden de UTs buizenframes en ‘Tiger’ voorvorken en werden de krachtbronnen voornamelijk van Blackburne betrokken. Dat ging dan over zij- en kopkleppers. In een latere fase werden er ook JAP motoren ingebouwd. Het aanbod bestond uit modellen van 200, 250, 300, 350, 500 en 600 cc motoren. Naar gelang de motorisering waren de framebuizen aan het vermogen aangepast. In 1930 verkocht Bergmüller de toko aan twee medewerkers, Hugo Schwenk en Johann Schnürle.

Verkocht en verhuisd

Dat koppel verhuisde inclusief personeel en machinepark in 1935 naar een voormalige weverij. In verband met de opkomst van het Nationaal Socialisme was het bedrijf verplicht om afscheid te nemen van de buitenlandse motorblokken toeleveranciers en kregen de UTs verplicht Duitse krachtbronnen. De Duitse leverancier van die twee- en viertakten, van kop en zijkleppers tussen de 200-600 cc was Bark & Küchen. Ook al zo’n naam die in de nevelen des tijds is verdwenen. Na de tweede wereldoorlog leverde UT modellen met naar keuze hand- of voetschakeling. De UT KT 125 was voorzien van een ILO tweetaktblokje, had een plaatstalen voorvork en moest het zonder achtervering stellen.

Een compleet aanbod

Het aanbod aan modellen met ILO blokjes bestond al snel uit 100, 175, 200 en 250 cc één en tweecilinders. En de rijwiel gedeeltes behoorden tot de besten in hun segmenten. Al in 1950 maakte het bedrijf zijn eigen telescoop voorvorken en toen was er optioneel ook plunjervering achter te bestellen. Op de IFMA van 1951 presenteerde het merk als eerste Duitse fabrikant een achtervork met hydraulisch gedempte schokbrekers 1963 viel UT om vanwege de mondiale motorfietscrisis. Schokbrekers.

Een mooie UT

Dolf Peeters, huurwoordenaar, automotive journalist, lid van de Heeren van Arnhem

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

X
X