in

Warm! – column

De afgelopen dagen was het te heet. Ik had het idee om als een Afrikaan onder een boom te gaan zitten en te wachten tot de hulpgoederen zouden worden ingevlogen. Kansloos.

Motorrijden? Daar was het te warm voor. Het verder afbouwen van de zijklepper? Onder het zwart bitumen dak van de garage? Ook kansloos.

Het herinnerde me aan een soortelijke hittegolf in de buurt van Preuilly, in midden Frankrijk. We waren daar, waar toen nog dik 200 mensen woonden, aangeland/gestrand na een lange, hete dag. Drie klassieke Britse – toen nog gewoon ‘ouwe’ fietsen – werden niet blij van 35 graden onder de strakblauwe hemel. Er was een band geplakt. En bij de BSA – “Je gaat toch niet op dat ding?! Daar halen we Luik niet eens mee!!” – klonk een voorwiellager als een baby betonmolentje.

De planning lag overhoop

Het was na vieren. En dan wordt het in Frankrijk moeilijk om onderdak te vinden. We vroegen een lokale bewoner advies. “Vous pouvez demander au Hollandaise fou, là-bas dans le château”. Vragen bij de gekke Hollandse in het kasteel dus. Dat kasteel was een oud, fors landhuis met kapsones.

Een riant geboetseerde uitbaatster

De entree was indrukwekkend. We werden begroet door een naar schatting dertigjarige man met sluik zwart haar. Hij had het voorkomen en de uitstraling van een crimineel in een jaren dertig film. Hij loensde en zei ons te wachten. De uitbaatster verscheen. Een riant geboetseerde eind vijftigster/begin zestigster met een peuk in haar mond. Een soort kasteelvrouw waarvan de datum van uiterste houdbaarheid duidelijk was overschreden. Ze bekeek ons met een kennersoog en zag blijkbaar geen redenen om de hond en de butler op ons af te sturen.

Voor de zekerheid begonnen we in het Frans te vertellen dat wij Nederlanders waren. We bleken de juiste persoon voor ons te hebben. De kasteelvrouwe was ons genadig. We kregen kamers en het aanbod om op het kasteel de avondmaaltijd te doen. De motoren mochten in een schuur. Als we daar even wat ruimte maakten. Douchen was even moeilijk in verband met de waterdruk. Maar we mochten gebruik maken van het zwembad. Dat bleek bijna dichtgegroeid met een soort zoetwatersla en het water was lauw. We kregen de sleutels van een krakkemikkerig Toyotaatje om een krat bier te gaan halen. Die moesten we wel even voorschieten. Want de freule was eventjes blut.

Uniek Nederlands

Maar, verzekerde ze ons hoestend, bij het eten zou er voldoende wijn zijn. De Toyota had Hollandse platen een doodvermoeide koppeling en nauwelijks remmen.
In de duisternis van de dorpswinkel annex kroeg zaten wat loom aangeschoten mannen Ricard te drinken. En wijn. “Ah, vous ètes avec la sorcière hollandaise”. “Jullie zitten bij de Nederlandse heks”.

We dronken een paar glazen met onze tipsy vrienden. De heks had veel mannen gehad. Veel kinderen. Ze werkte niet. Ze had het kasteel gekocht. Er kwamen nauwelijks gasten. “Uniquement des néerlandais” De aanschaf was dom geweest. Want in de oorlog hadden ‘les Boches’ er mensen gemarteld. Het deugde er niet. Maar onder het kasteel zouden ‘s nachts Duitse vrachtwagens een tunnel zijn ingereden. Om er dingen te verstoppen die nog niemand had gevonden. Misschien was de Hollandse niet Nederlands, maar Duits en op zoek naar de oorlogsschatten. En de man die we als butler of crimineel in hadden geschat was haar geliefde. Ook sloeg hij haar regelmatig. En kweekte ‘drugs’ op het zonnige plat van het dak.

Thuis op het kasteel was de kasteelvrouwe ook al niet helemaal helder meer. Het bestek lag losjes op een oud zijden tafelkleed. De spinazie was zo uit de diepvries ontdooid en had de vorm van het kartonnen doosje keurig behouden. De aardappeltjes waren prima. Het vlees ook. Op de wijn was ook bar weinig aan te merken. Maar dat kon ook komen omdat wij op dat moment ook wat minder kritisch waren.

Citroën DS

We hoorden dat onze kasteelvrouwe zes kinderen van zeven verschillende vaders had. Of omgekeerd. Een van die kinderen, die met de Ierse vader, maar hij woonde in Amsterdam, zou de volgende dag met vier vrienden komen. Dat deed hij elk jaar. Dan kochten ze lokaal vijf Citroen DSsen en reden daarmee naar Nederland. De auto waar ze mee gekomen waren bleef dan in Preuilly. Daarmee reed de kasteelvrouwe dan een jaar onverzekerd rond. Tot het volgende automobiele gebakje werd aangeleverd. Ah: Dat verklaarde de drie wrakken op het achterterrein.

Onze kamers achter de dikke muren waren schoon en koel. We sliepen als rozen. De volgende dag mochten we – weer op eigen kosten – stokbrood halen. Toen we uitboekten om de dag te besteden naar het zoeken van een wiellager voor de BSA werden het bier en het brood dat we hadden gehaald en betaald met losse hand op de nota bijgeschreven.

En die hele dag was het ook al zo warm. Onze volgende overnachtingsplek was een bijna vergeten familiehotelletje dat was ingebouwd door een industrieterreintje vol onduidelijkheid. De uitbaters waren blij verrast met ons bezoek. Een naar schatting 12 jaar oud zoontje deed keurig gekleed de bediening. Het eten was voortreffelijk. De witte wijn heerlijk. Later schoof de familie bij ons aan tafel. We hoorden verhalen over bureaucratie, malheur en tegenslag. “Vroeger waren we bekend in de hele streek!”

Het werd weer laat. Op mijn kamer zag ik dat de naar binnen draaiende ramen lichtdicht van gordijnen waren voorzien. Ik gokte op wat nachtelijke verkoeling en deed de ramen open. Op dertig centimeter van mijn ramen stond een golfplaatstalen wand van een hal die net naast het hotel was gezet.

En het bleef warm.

We publiceren deze artikeltjes gratis, en willen dat natuurlijk ook blijven doen. Maar u begrijpt dat dat voor ons niet gratis is. Ondersteunt u dit initiatief en waardeert u het? Overweeg dan eens een abonnement op Auto Motor Klassiek. U helpt ons dan niet alleen de gratis initiatieven betaalbaar te houden, maar ontvangt als bonus ook nog eens elke keer een AMK in de bus. En u betaalt nog maar € 3,30 per nummer in plaats van € 4,99. Elke maand goed voor uren leesplezier.

7 Reacties

Geef een reactie
  1. Dolf je weet inmiddels dat er toch nog van die malloten zijn die ondanks het weer blijven rijden op twee wielen. Donderdag zijn we met negen leden van ons clubje naar Lelystad geweest om een VRO te doen. Heel leuk, leerzaam en heet. De waterbak zorgde daar s’middags gelukkig voor wat afkoeling. Ook werd regelmatig vers drinkwater aangevoerd en niemand van ons clubje of van de andere groepen moest stoppen vanwege de hitte. Maar bij de evaluatie werd wel vaak gezegd dat het warm was.

    • Dag Theo, Het wachten was op hulpgoederen. Niet op hulptroepen. En als je er eens komt dan zul je zien dat er in Afrika een ander arbeidsethos heerst dan hier. Zeker omdat je jezelf met die temperaturen – die we nu ook hier hebben letterlijk kunt dood werken als je een gemiddeld Noord Hollands kleine ondernemerstempo aan houdt. Dus in deze was mijn insteek positief geinpireerd

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *