Historie

Van schutbord naar dashboard

By  | 

De eerste auto’s leken heel erg op koetsen. Maar dan met een motorblok in plaats van een paard als krachtbron. En voor het ‘dashboard’ was er het schutbord. Dat moest de inzittenden wat bescherming geven en bleek ook handig om er dingen zoals oliepompjes en vetpompjes op te schroeven. Vanaf 1905 werd dat schutbord ontdekt als serieuze instrumentendrager.

Toen kwamen de snelheidsmeter en de (opwind)klok in beeld

Het moest niet veel gekker worden! Toen auto’s wat op auto’s begonnen te lijken schreven we omstreeks 1910. Het schutbord werd onderdeel van een duidelijk minder Spartaans interieur. De versiering op dat schutbord bestond uit hoogwaardige staaltjes van instrumentmakerij met ingegraveerde merkemblemen in de door fraaie messing randen omhelsde glaasjes van de tellers. Er kwamen knopjes. De eerste verklikkerlampjes werden gesignaleerd.

Het nieuws ging er van af

Al snel werden die grappige nieuwigheden een essentieel deel van de auto’s. En er was een levendige handel in accessoires. Een insteek die veel later nog eens werd opgepikt bij de buggybouwers van Ruska: een heel klein glazen vaasje met ruimte voor amper twee tulpen dat met een zuignap aan het dashboard kon worden bevestigd.

De crisis en het schutbord

De crisis in de dertiger jaren maakte – onder veel meer – een eind aan de houten schutborden. Ze werden van messing, verchroomd koper of aluminium. Sportwagen dashboards werden steeds vaker van aluminium. En toen auto’s echt massaal geproduceerd gingen worden ontdekten de fabrikanten de zegeningen van de gestanste en geperste instrumentendragers. Simpele lak of verbazend goed lijkend ‘houtnerf’ schilderwerk vormde de make up van de kale plaat. Instrumenten werden steeds minder speels over hun ondergrond verdeeld omdat fabrikanten de productie steeds verder ontwikkelden en structureerden. Daarbij gaven vooral de Amerikaanse fabrikanten de toon aan. Ze pronkten met hun instrumenten als een pauw met zijn veren. Snelheidsmeters, toerentellers, mijlentellers, benzinemeters, laadstroommeters, oliedrukmeters. Noem maar op.

Voor de oorlog was er vol op ruimte om te regelen en te improviseren

Je deed maar wat je goed dunkte en kwam er mee weg. Na de Tweede Wereldoorlog werd alles anders. Zelfdragende  koetswerken– toch weer dat woord! –  werden de norm en het intussen ingeburgerde dashboard werd een geïntegreerd deel van de hele auto. Dashboards werden soberder en meer naar de bestuurder gericht. En zo kwam de rationaliteit in plaats van ambachtelijk vakmanschap. Vanaf dat moment zetten (half)cirkelvormige klokken en lineaire snelheidsmeters de toon.

Meer informatie is beter

Controlelichtjes informeerden over de stand van schakelaars en handschoenenvakken evolueerden tot grote hoogtes. Achter een afneembaar dekseltje of plaatje zat een voorgeprogrammeerd gat voor de, tegen meerprijs,  leverbare radio. Die autoradio’s waren in de States bekend sinds de jaren twintig. En in 1930 werden er al 34.000 autoradio’s verkocht in de USA. Drie jaar later was dat getal vertienvoudigd.

En dat terwijl de storing die door de ontsteking werd veroorzaakt het radio luisteren toch alleen echt prettig maakte als de auto stil stond. In Europa werd de autoradio pas in de jaren vijftig eerder regel dan uitzondering. Op radiogebied kwam de doorbraak pas in 1949 toen er met transistors gewerkt ging worden. Dus de toename in populariteit is verklaarbaar.

En nu?

Daarna kwam er steeds meer elektronica, en een dashboard steeds zachter. Bol en soft. Met verzonken knoppen. Zonder uitstekende schakelaars op kniehoogte. En nu? Nu is onze smartphone een wezenlijk deel van het dashboard, van de auto. En het daadwerkelijke informatiepaneel is verworden tot een zwart spiegelende plaat overgevoelig glas. Zonder ingegraveerd merk. Zonder messing randjes…

Ook mooi.

Toch?

 

Dolf Peeters, huurwoordenaar, automotive journalist, lid van de Heeren van Arnhem

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

X
X