Lotus Esprit S1. Vlijmscherp. En bij de geboorte al klassiek

Auto Motor Klassiek » Artikelen » Lotus Esprit S1. Vlijmscherp. En bij de geboorte al klassiek

Sluitingsdatum septembernummer -> we zijn aan het afsluiten

Automatische concepten

Tijdens de Autosalon van oktober 1975 in Parijs presenteerde Lotus de nieuwe troef in het gamma én de opvolger van de Europa: de door Giorgetto Giugiaro gestylede Esprit. De ontwikkeling van het nieuwe model leverde de nodige hoofdbrekens op. Sterker: ‘Mister Lotus’ Colin Chapman was na tegenvallende windtunnelresultaten zelfs van plan om de stekker uit de ontwikkeling van de Esprit te trekken. Gelukkig kwam het niet zover. Giugiaro zette op eigen initiatief het ontwerp voort, en dat leidde alsnog tot de komst van de nieuwe Lotus. De Series 1 kwam, en was precies de auto die Chapman voor ogen had toen de ontwikkeling begon. De productie startte in juni 1976, iets meer dan een halve eeuw geleden.

Lichtgewicht carrosserie

Naar goed gebruik in Norfolk kreeg ook de nieuwe troef een carrosserie van glasvezelversterkt kunststof. En deze rustte op het bekende stalen backbone-chassis dat Lotus al sinds de Elan toepaste. Die centrale ruggengraatconstructie combineerde een hoge torsiestijfheid met een laag gewicht en vormde de ideale basis voor een sportwagen. Het gewicht bleef beperkt tot ongeveer 900 kilogram. Met een hoogte van slechts 1,11 meter oogde de Esprit uitzonderlijk laag.

Geweldig onderstel, superlatieven over besturing

Onder de carrosserie schuilde een fijn onderstel. Aan de voorzijde paste Lotus een volledig onafhankelijke wielophanging toe met dubbele draagarmen , waarbij de stabilisatorstang tevens een deel van de wielgeleiding verzorgde. Achter koos Lotus voor taps toelopende langsdraagarmen van kokerprofiel, onderste dwarsarmen en aandrijfassen die mede de zijdelingse krachten opvingen. Rondom werden schroefveren gecombineerd met telescopische schokdempers.

Remmen, gewichtsverdeling, geprezen besturing

De reminstallatie (gescheiden, met remkrachtverdeler, niet bekrachtigd). De achterste schijfremmen waren niet aan de wielnaven bevestigd, maar inboard gemonteerd, direct naast de transmissie. Hierdoor nam het niet-afgeveerde gewicht af en kon de achterwielophanging nauwkeuriger reageren op oneffenheden in het wegdek. Uiteraard monteerde Lotus ook aan de voorzijde schijven. Opvallend was dat de exemplaren aan de achterzijde groter van omvang waren dan de schijven vóór. De wegligging werd geroemd, terwijl de gewichtsverdeling van ongeveer veertig procent vóór en zestig procent achter bijdroeg aan de uitstekende balans van de auto. De (niet-bekrachtigde) tandheugelbesturing oogstte daarnaast direct heel veel lof vanwege de vlijmscherpe respons én het uitstekende stuurgevoel.

Moderne krachtbron, Citroën versnellingsbak

Achter de beide stoelen lag de toen zeer moderne Lotus 907 ‘korte slag’ DOHC krachtbron, een volledig uit aluminium vervaardigde zestienkleppen viercilinder die ‘in het midden’ werd gemonteerd. De cilinderinhoud was 1.973 cc. In de Europese uitvoering leverde de krachtbron 160 pk bij 6.200 t/min en een maximumkoppel van ongeveer 177 Nm. De brandstofvoorziening werd geregeld door twee Dell’Orto DHLA 45 carburateurs. De motor was gekoppeld aan de handgeschakelde Citroën C35-vijfversnellingsbak, die ook werd toegepast in de Citroën SM en de Maserati Merak. Het vermogen werd overgebracht op de achterwielen. De aandrijflijn stelde de Lotus in staat om tot indrukwekkende prestaties te komen.

Topprestaties, ook vandaag nog indrukwekkend

De fabrieksopgave gaf een topsnelheid van 222 km/h en een acceleratie van 0-100 kilometer per uur in minder dan zeven seconden weer, hoewel uit praktijktests bleek dat dit iets te optimistisch was. Waarden van 215 km/h en ‘van nul tot honderd in acht seconden’ waren echter nog altijd zeer indrukwekkend tijdens de jaren zeventig, terwijl de besturing en handling ongeëvenaard waren. Het interieur ademde de sfeer van de jaren zeventig, met een futuristisch dashboard, de karakteristieke groen uitgevoerde Veglia-instrumenten, een fraaie midden- en tunnelconsole met daarin bijvoorbeeld de kleine pook, en een heel specifieke ruitpatroonbekleding.

“The Spy Who Loved Me”

Wereldfaam verwierf de Esprit in 1977 dankzij zijn hoofdrol in de Bondfilm ‘The Spy Who Loved Me’, met Roger Moore, Barbara Bach én de Lotus in de hoofdrol. In de film bestuurt Bond een witte Esprit die tijdens een achtervolging verandert in een onderzeeër. De spectaculaire scène groeide uit tot een van de bekendste momenten uit de Bond-serie en bezorgde Lotus een publiciteitsboost van onschatbare waarde. Van de Series 1 bouwde Lotus uiteindelijk slechts 718 exemplaren. Ook daardoor zijn originele exemplaren tegenwoordig zeldzaam én peperduur. In 1978 lanceerde Lotus de (licht) verbeterde Series 2. Uiteindelijk bleef de Esprit tot in 2004 in productie, in nog twee gemodificeerde en gerestylede series, zodat de oplage in totaal iets boven de tienduizend exemplaren uitkwam.

Een meer uitgebreide versie van dit verhaal leest u op termijn in de Korte Berichten in het magazine

Lotus Esprit S1. Vlijmscherp. En bij de geboorte al klassiek
Lotus Esprit S1. Vlijmscherp. En bij de geboorte al klassiek
Lotus Esprit S1. Vlijmscherp. En bij de geboorte al klassiek
Lotus Esprit S1. Vlijmscherp. En bij de geboorte al klassiek
Lotus Esprit S1. Vlijmscherp. En bij de geboorte al klassiek

Schrijf je in en mis geen enkel verhaal over klassieke auto’s en motoren.

Selecteer eventueel andere nieuwsbrieven

Eén reactie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Maximale bestandsgrootte van upload: 8 MB. Je kunt uploaden: afbeelding. Links naar YouTube, Facebook, Twitter en andere diensten die in de reactietekst worden ingevoegd, worden automatisch ingesloten. Bestanden hier neerzetten