Musea

100 Jaar Alvis in het Louwman Museum

By  | 

Van 20 december tot en met 2 februari presenteert het Louwman Museum een overzichtstentoonstelling van zeventien Alvis automobielen. Die dateren uit de periode 1920 tot en met 1967 vanwege 100 Jaar Alvis. Alvis staat bekend als een Engelse fabrikant van kwalitatief hoogwaardige auto’s. De fabrikant introduceerde een aantal belangrijke innovaties die nog altijd worden toegepast in de autoindustrie. De expositie toont een prachtig overzicht van de belangrijkste modellen die werden voorzien van veelal typisch traditionele Engelse carrosserieën.

Het begin van Alvis

Alvis. Alleen de naam zorgde al voor veel discussie. Het idee was dat de naam was opgebouwd uit het ‘Al’ van ‘aluminium’ en ‘vis’ als uit het Latijnse ‘sterkte’. Maar ook de oude goddelijke Noorse wapensmid Alvis zou de naamgever zijn. Geoffrey de Freville die aan de wieg van het merk stond hield echter vol dat de naam gewoon bedacht was en niets betekende. Maar die verklaring was niet voor iedereen spannend genoeg.

 

In 1919 begon ingenieur en ondernemer Thomas George John in Coventry een kleine fabriek. Deze produceerde die in het volgende jaar de eerste auto’s. Ze waren van hoge kwaliteit en voorzien van een 1,5 liter viercilinder motor met aluminium zuigers en druksmering. Dat was vooruitstrevend in die tijd.

In de jaren twintig had Alvis een leidende rol in de toepassing van voorwiel aangedreven raceauto’s die actief waren op Brooklands, Le Mans en de Tourist Trophy. De opgedane ervaringen in de racerij leidden ertoe dat Alvis in 1928 de eerste voorwielaangedreven productie-auto ter wereld introduceerde. Dat concept werd met ‘argdocht en achterwaan’ bekeken. Maar het heeft zich inmiddels aardig gesetteld.


Vanaf 1927 werden ook zescilinder auto’s toegevoegd aan het leveringsprogramma.

De Alvis zescilinders werden de krachtbronnen van een hele reeks luxe Alvis zes cilindermodellen die Alvis tot aan de uitbraak van WOII tot een nobelmerk maakten. De zescilinders waren elegant en innovatief. Ze hadden onafhankelijke voorwielophanging. En waren de eersten met volledig gesynchroniseerde versnellingsbakken en servobekrachtigde remmen. Maar iets later waren er bovenliggende nokkenassen en optionele (Roots) superchargers. En net zoals veel aanbieders in het hoge segment leverde Alvis zijn auto’s kaal. De koetswerken werden – vaak op maat – uitbesteed aan externe bedrijven. Dat waren bijvoorbeeld  Carbodies, Charlesworth Bodies, Cross & Ellis, Duncan Industries, E. Bertelli Ltd en Grose. Maar ook Gurney Nutting, Hooper, Lancefield Coachworks, Martin Walter, Mayfair Carriage Co, Mulliners, Tickford, Vanden Plas, Weymann Fabric Bodies, en Arnold of Manchester.

Na de oorlog

Alvis maakte na de oorlog furore met zijn drieliter zescilinders. Die blokken – vanaf 1950 in een nieuw chassis –  bleven de basis van de excellente aandrijving tot 1967. De ‘saloon bodies’ kwamen van Mulliners, Tickford zorgde voor de productie van de ‘dropheads’. Herman Graber uit Zwitserland maakte ook wat plaatmooie koetswerken. Die zijn nu zeldzaam, gezocht en erg duur.

De chassis waren van eigen fabricaat maar het koetswerk werd nog steeds door verschillende Engelse carrosseriebouwers geleverd

De modellen werden steeds groter en luxueuzer. Er werd concurrentie aangegaan met merken als Bentley en Lagonda. In 1935 presenteerde Alvis de eerste productie auto met volledig gesynchroniseerde versnellingsbak. Een jaar later kwam het merk met onafhankelijke voorwielophanging.

Productie voor het leger

Vlak voor het begin de Tweede Wereldoorlog kwam de nadruk bij Alvis te liggen op de productie van vliegtuigmotoren en op militaire voertuigen. Door Duitse bombardementen in 1940 werd de autofabriek volledig verwoest. Na de oorlog kwam de productie van auto’s in het hogere marktsegment weer op gang. Wederom werd ervoor gekozen om de carrosserieën bij derden te betrekken. In 1967 stopte uiteindelijk de productie van Alvis personenauto’s. In de jaren zestig had Rover het voor het zeggen bij Alvis. En Rover werd onderdeel van British Leyland. In die tijd werd de in 1966 gelanceerde TF 21 nog als erg mooi en goed, maar inmiddels gedateerd gezien. De Alvis personenauto’s hadden hun tijd gehad. Het bedrijf werd gekocht door United Scientific Holdings plc en ging na een naamsverandering en wat overnames leger en vrachtvoertuigen bouwen.

In de tussentijd lopen er geruchten dat Alvis een van de vele merken gaat worden die straks mogelijk weer ‘terug van weggeweest’ is.

De vreemde eend

Van 1966 tot 1992 had het Britse leger Alvis Stalwarts in dienst. Op het ‘persoonsbewijs’ daarvan stond ‘High Mobility Load Carrier, 5 ton, 6×6’. Het gevaarte dat liefkozend ‘Stollie’ werd genoemd was amfibisch en was gemotoriseerd door een 6,5 liter Rolls-Royce blok. Daarmee was een Stalwart 63 km/u snel. Op Youtube staan er leuke filmpjes over en een kennis kocht er ooit 9 omdat ze zo goedkoop waren. Hij heeft ook nog een stel ingekratte Rolls-Royce blokken staan.

De tentoonstelling ‘ 100 jaar Alvis ’ is tot stand gekomen op initiatief van en in nauwe samenwerking met de Alvis Owners Club Nederland.

Alvis

 

Ook een Alvis: de Stalwart

 

suggestiebanner

Ook leuk om te lezen…

Nu in de winkel

Auto Motor Klassiek van februari ligt nu in de winkel met deze maand een uitgebreid artikel over de Taunus 12M P4 van Fokke Jansma uit Wijnjewoude. Een opmerkelijk goed geconserveerde klassieker, die een bijzondere ontwerpgeschiedenis heeft. We mochten ook rijden in een tot in het kleinste detail perfecte Triumph 2000 Roadster. Hoe dat aanvoelt? U leest het in het februarinummer. Mocht u ooit van plan zijn een Opel Senator aan te schaffen, dan is het goed dat u dit nummer in huis heeft, want Aart van der Haagen doet uitgebreid uit de doeken, waar u dan rekening mee moet houden. Het een en ander aan aankooptips vindt u ook bij het artikel over de Citroën Dyane. Een auto die we troffen met zijn eigenaar op een terras tijdens een werkoverleg.

En verder:

De restauratie van een Nimbus Model C en een Norton M50. Waarom er zo weinig Opels over zijn? Dat leest u ook in dit nummer. De liefhebberij van een in Spanje wonende Nederlander, die ook geldt als dé specialist voor de Fiat 130. En ook in dit nummer; bijna dertig pagina’s korte berichten, verslagen, praktische tips, columns en korte typebeschrijvingen. Bovendien natuurlijk ook meer dan veertig pagina’s met klassiekers te koop, die soms online niet verder aangeboden worden.
ABONNEER NU EN MIS HET VOLGENDE NUMMER NIET MEER

Dolf Peeters

Dolf Peeters, automotive journalist, tekstschrijver, vertaler, lid van de Heeren van Arnhem

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *