Sluitingsdatum meinummer -> 17 maart
In den beginne …
…toen was er nog helemaal geen KJMV. Dat is alweer 40 jaar geleden.
Voor de oprichting van de Klassieke Japanse Motorfiets Vereniging bestonden er geen klassieke Japanse motorfietsen. Er waren nieuwe, doorgaans fris gefinancierde Japanse motorfietsen. Recentere gebruikte exemplaren en ‘ouwe zooi’.
Er waren Japanse motoren van voor 1986 die, terugtellend naar de jaren zestig, nog enige waarde hadden. Maar naarmate ze dichter bij de sixties kwamen, verminderde de waarde tot honderden guldens, en vijf tientjes voor rijdende exemplaren.
Al voordat ik mijn motorrijbewijs had, reed ik op motorfietsen uit het laagste marktsegment. Het criterium bij aankoop was: ‘Doet hij het?’
Mijn eerste Jap was een C77 uit 1966 (!) van honderdvijftig gulden. Het ding was netjes voorzien van een CB77- of CB72-voorvork en ik was er reuze blij mee.
In die tijd begon ik gericht naar oude Japanse dingen te zoeken. Want het dromen over motoren was immers begonnen door de C77/72 van de (stief)vader van een lagere schoolvriendje van me. Er moest dus wel sprake zijn van een zekere lotsbestemming.
Ik kwam in de hemel terecht. Wat een aanbod! Wat een lage prijzen! Onbevangen en blij van zin reed ik in de Peugeot 504 Break van mijn toenmalige werkgever naar Rotterdam. Twee keer. Want daar woonde een zo goed als ex-vrijgezel in een flat vol met NOS-Honda-spul. De man was tegen verkering opgelopen en de nieuwe aanstaande vrouw des huizes had geëist dat alle motorzooi weg moest. In een Peugeot 504 stationcar zit enorm veel volume. En de Peugeot werd, met veronachtzaming van Max (max. laadvermogen), tot aan het hemeltje volgestouwd. En dat twee keer, met diesel op kosten van de baas. Dat was toen nog geen enkel probleem. Zo kwam ik netto aan tweeënhalve CB77 plus honderden zuigers, cilinders, koppelingen… Voor zeshonderd gulden. Met wat wheelen en dealen gingen er nogal wat spullen naar hobbywedstrijdrijders en andere vage liefhebbers zoals ik. Uit de gewonnen fondsen werd een ZGAN CB750 K2 met maar iets van 8000 km op de teller gekocht. En er werden stevige kilometers gemaakt. Dat ging ten koste van mijn vriendschap met vriendjes op Britse en Italiaanse motoren. Vriendelijk volk. Maar hun motorfietsen gingen te vaak kapot onderweg. De uitverkoop van de rest van de spullen duurde jaren en zorgde ervoor dat mijn nieuwe passie niet ten koste van mijn inkomen ging. Het was zelfs zo dat ik drie Black Bombers in onderdelen gewoon vanuit de kontzak betaalde, terwijl dat toch ging over een bedrag van achthonderd gulden.
Er kwamen en gingen vrijwel ongewenste Japanners langs, zoals een T500 die getuned was voor sprints. Bij de onderdelen die erbij zaten, zat ook een kenteken. De Suzuki kreeg weer een burgerkostuum aan. Maar aan het verkeer deelnemen met een ultragetuned sprintblok bleek geen succes. Ondanks het feit dat ik nul verstand van elektra had en heb, kocht ik een plaatmooie XS650 uit 1972. Er waren al uren en uren in gestoken om het ‘soms-wel/soms-niet-startprobleem’ op te lossen. Tevergeefs. De eigenaar was er ziek van. De XS ging voor kleingeld weg. Bij het vrij richtingloze zoeken naar het probleem steunde ik met een hand tegen de motor. De twin sloeg onmiddellijk aan. Ik haalde mijn hand blij weg. De motor startte niet meer… Ik kreeg het idee dat ik per ongeluk ergens iets te pakken had. Een lang verhaal kort: in de kabelboom was een soldeerpunt losgeraakt. Door het stuur te bewegen, maakte de zaak dan door de minieme beweging in de kabelboom wel of geen contact. Na verwijdering van de isolatie werd het probleem zichtbaar. Een aai met het soldeerapparaat verhielp het probleem. Ikke blij!
Intussen waren er via-via wat vage contacten met lotgenoten. De nieuwsgierigheid of er daar meer van zouden zijn, ontaardde in oproepjes in het Weekblad Motor en het gratis advertentiekrantje Via Via.
Daaruit kwamen prettige contacten met een vriendelijke mix van medeliefhebbers – eigenaars van wat we onderling al voorzichtig ‘klassieke Japanse motorfietsen’ waren gaan noemen. Er waren mensen met een vroeg historisch besef. Er waren lieden die technisch georiënteerd waren. Er waren mensen die goedkoop wilden rijden. Het was een prettig gemixt stel.
Dat stelletje ongeregeld kwam tezamen voor de oprichting van de KJMV in café Geesbergen aan de Vecht. Ik was daar al minstens tien jaar niet geweest. De toenmalige mede-eigenaar was een onbeantwoorde jeugdliefde van me. In de jaren tussen mijn verliefdheid en het toenmalige heden was ze erg saggerijnig gaan kijken. Een klein stemmetje in me fluisterde na al die jaren: “Had je maar met mij mee moeten gaan.” Gelukkig had de liefde voor mij toch een happy end. Maar niet met de betreffende dame.
Affijn: de KJMV werd opgericht. Oude Japanse motoren kregen hun klassieke status. De club groeide en de kwaliteit van de motorfietsen binnen de club groeide mee. Intussen had ik een inschattingsfoutje gemaakt. Mijn lief was zwanger en ik had in verband met de familie-uitbreiding een zijspan gekocht. Een T500 met een Velorex-bakje, een twee-in-één-Reimo-expansie-uitlaat en een broomstick-stuurtje. Ik was trots op mijn vooruitziende blik. Maar mijn lief gaf haar absolute veto na een rit in het bakje. Te veel lawaai in de bak. Die T500 was indertijd de net niet enige klassieke Jap die ik rijdend had. De ooit beroemde Promotor-motor, een Yamaha XS650, stond ook in de garage. Met de komende uitbreiding van de familie werden de T500 en de XS in Halle bij Gefra ingeruild op een ZGAN Ural-driewieler van een 65-jarige vader met een driejarige zoon. Zijn geliefde had bezwaren tegen de zijspannerij. Niet vanwege het lawaai in het bakje, maar in verband met het feit dat ze nu de tweede leg – haar meesterplan geregeld had – en ze de teugels binnen de relatie strak wilde houden.
In de tussentijd kregen ‘we’ meer informatie over onze motorfietsen. De onderdelenvoorziening werd (wat) beter. Misha Buttinger zette de eerste schreden op het pad van wat CMSNL worden zou. En de prijzen van onderdelen en motoren stegen. De waardering van fabrieksoriginaliteit steeg aanzienlijk. En dat werd mogelijk gemaakt door Misha, die internationaal ‘Mike’ werd en die wereldwijd NOS-voorraden kocht, voorheen onverkrijgbare spullen nieuw liet maken, zodat de term ‘afhaalchinees’ een emotioneel veel hogere lading kreeg.
De afgelopen 30+ jaar ben ik ex-Sovjet-driewielers blijven rijden. Urals komen trouwens uit Rusland. Dneprs uit Oekraïne. Qua tweewielers ben ik omstreeks die tijd aan de grote Moto Guzzi’s blijven hangen. Ik ben dus, net als in mijn eerste dagen, in de budgethoek blijven handelen.
Maar intussen lopen er onderhandelingen over de aanschaf van een vroege CB350 twin. Maar allemachtig! Wat zijn die oude Japanners duur geworden!
De Seeley Honda staat intussen met Duitse papieren bij Loods 8 te koop. In Arnhem.
Meer weten? Word lid van de KJMV.

Heerlijk verhaal weer, bedankt.
Inderdaad wordt langzaam (hoewel, steeds sneller) al het leuke helaas onbetaalbaar. Japanners had ik vanaf het begin, alleen maar 2e hands motoren en eigenlijk heel weinig. De 1e was een CB750F2 waar ik aardig wat op gereden heb, oa een 10500km heel Scandinavië door in 2,5 weken. Zo rond 1989 moest de CB weg, want ik begon een Cobra met heel dikke V8 te bouwen en toenmalige ega vond dat dit alleen mocht zonder de CB erbij tot het Cobra kenteken daar was. Na verkoop knaagde dat de volgende dag al wat… Afijn, 10 jaar later (zolder op woning bouwen, kinderen, werk etc …) eindelijk mijn kenteken en stond er bijkans de volgende dag een GSX1100R. Die een paar jaar gehad en lekker wat mee gereden, totdat deze werd gestolen achter mijn huis vandaan waar hij op 3 sloten stond. Stokken door de wielen en was met een paar man zo weg gesjouwd. Door scheiding, werkeloos en verbrande Cobra waren pecunia een tijd een probleem, tot ik een TL1000S kon kopen. Heerlijke fiets waarmee ik ook door Scandinavië trok, samen met mijn vriendin op haar GS600F. Later de TL nog ingeruild op een Aprillia RSV1000R en ook daarmee op de Noordkaap gestaan samen met de vriendin. Vooral in Lapland leidde die Aprillia tot leuke reacties qua “dat je dat durft met zo’n Italiaanse motor”. Ach, elke 2500km de koppeling even ontluchten is hierbij standaard, verder heerlijk rijden.
Kortom, heerlijke Japanse en Italiaanse fietsen, al waren die van mij toch vrij modern. Door de TL trouwens verknocht geraakt aan 2 cilinders.
O ja, die CB was mijn 1e eigen fiets, daarvoor een jaartje een 750cc waterbuffel te leen gehad van mijn broer, mennnn wat was dat ook genieten qua geluid en geur 😉 Mooi spul!
Ps. De motor van mijn vriendin moest zijn een GSX600F. Deze heeft ze nog steeds en ik de Aprillia ook. Nu nog weer lekker gaan rijden, dat is er de laatste jaren teveel bij ingeschoten door vooral jaren verbouwen huidige woning en zo verwatert het steeds vlotter. Het was al bar leuk toen ik deze Aprillia kocht qua verbijsterde blikken: zo’n ouwe kul op zo’n fiets en dat is alleen maar sterker geworden bij het afzetten van de helm, heerlijk 😁
De WW, de scheiding en de verbande Cobra uit je systeem goien. En genietend 100 worden op twee wielen!
Ja een erg mooi en vooral bijzonder verhaal! Dat je zo’n grote partij onderdelen voor zo weinig kon kopen……..🙄 Leuk vind ik ook de Honda Dream met een CB77 voorvork. Hoe rijdt dat?
Zelf rij ik ook al 33jaar Japans, nl op een Yamaha SR500. Fijne betrouwbare motor, wat ‘underestimated’ volgens mij. In mijn jeugd reed ik met veel plezier een YAMAHA YDS3. Stom genoeg verkocht ik die in het voordeel van een onbetrouwbare, trillende Bonneville. Kortgeleden heb ik weer zo’n YDS3 voor een prikje gekocht. Stond reeds 30 jaar in een garage, dus wel met het nodige werk en kosten aan.
Ik zoek nog naar de gegevens (email/telefoon) van Ludy Beumer i.v.m. problemen met de YDS3.
Met groet van Ötzi
Mooi verhaal! Met d CB vork red de C aanbzienlijk strakker. En via de KJMV moet je Ludy kunnen bereiken. Succes. En hou ons op de hoogte!
Een vers bakken mensje in een driewieler vervoeren, daar frons ik mijn wenkbrauwen een beetje van. Maja… wat ze in Indonesië en zo doen dat moet natuurlijk ook hier kunnen. En hier zijn de wegen beter bovendien. Toch heb ik zelf toen voor een vierwieler gekozen.
Japanse motorfietsen hebben de naam behoorlijk betrouwbaar te zijn. Al rij ik BMW, als ik voor betrouwbaarheid was gegaan, zo was ik 30 jaar geleden waarschijnlijk toch op een Japanse fiets uitgekomen.
45 jaren geleden werd ik door een kennis geconsulteerd omdat zijn CB750 slechts op twee cilinders liep. De andere twee weigerden hardnekkig dienst. Toen ik vroeg wanneer het zo gekomen was, bleek dat er nieuwe contactpuntensets in gezet waren en dat het meteen foute boel was. Nadat het dekseltje van de zijkant gewipt was duurde het hooguit twee minuten voordat ik de fout gevonden had. Er was een isolatieschijfje aan de verkeerde kant van de bladveer van een van de twee contactpuntensets gelegd. De zwik er ff uit, schijfje aan de juiste kant gelegd, max. puntenafstand en tijdstip afgesteld en starten maar. Het ding sloeg meteen aan en produceerde een minuut lang een rookgordijn omdat er op twee potten gereden was. Enfin, het ding nog netjes afgesteld en het liep als een zónnetje zoals het een CB750 betaamt. Die herinnering is blijven hangen.
Het plezier zou van korte duur zijn. Een week later werd hij op weg naar de baas door een gehaaste autodebieliste frontaal van zijn CB gereden, met blijvend letsel tot gevolg. Soms vraag ik mij wel eens af hoe het gegaan zou zijn als ik wat later naar zijn CB vonkenfabriek omgekeken had. Toch staat die CB in mijn geheugen gegrift omdat hij zo mooi liep. Ja, hij had een Marshall pijp. Dat maakte indruk, dat wel.
Weer een prachtig verhaal Dolf .
Weer een mooi verhaal Dolf, wat kan het leven toch verrassend zijn!