Heel vroegah

Auto Motor Klassiek » Motoren » Heel vroegah

Sluitingsdatum augustusnummer -> 16 juni

Automatische concepten

Alex heeft zichzelf in een impuls een miskoop gedaan. Zijn ‘nieuwe’ motorfiets – een George Roy Majestic – is hem toch te modern. Want eigenlijk ligt zijn interessegrens bij motorfietsen van vóór 1914. Dat zijn machines uit de dageraad van het motorrijwiel. Duidelijk herkenbaar als motorfiets.

In die prille dagen was er nog weinig kennis en waren de beschikbare materialen beperkt. De viertaktmotoren waren zijkleppers met atmosferisch openende inlaatkleppen – de snuffelkleppen – en de mengselvoorziening werd verzorgd door oppervlaktecarburateurs, waarbij de aangezogen lucht over een benzinevijvertje waaide om zo wat benzinedamp mee te nemen. Die benzine kocht je per fles bij de apotheker. In plaats van met een O- of X-ringketting werd de aandrijving verzorgd door een leren riem. Die aandrijving gebeurde doorgaans zonder nieuwigheden als een koppeling of versnellingsbak, maar gewoon direct vanaf de krukas. Versnellingsbakken waren nog niet in beeld. Er waren hooguit band- of velgremmen.

Om zo’n ding rijdend te houden moest de berijder eigenlijk een professionele machinist zijn. Het luchtmengsel, de ontsteking en de smering moesten tijdens de rit constant handmatig in toom worden gehouden. Motorrijders hadden revolvers bij zich om zich de honden van het lijf te houden. En onderweg ging er van alles stuk, omdat de basistechnologie ver achterbleef bij de materialen en materiaalkennis van nu. Het vernuft was er wel. De technologie van de radiale klepopstelling komt al uit de jaren twintig en werd in 1931 voor een breder publiek beschikbaar.

Terug naar het stukgaan. Dingen die onderweg kapotgingen (en gerepareerd werden): frames braken, aandrijfriemen sneuvelden, motorblokken liepen vast, zuigers gingen stuk en kleppen begaven het. Dat was in de tijd dat er nog veel nauwelijks verharde wegen waren, maar waarin elk dorpje wel een smederij had. Of anders kon je terecht bij een van de ontelbare keuterboertjes.

In het clubblad van de Veteraan Motoren Club lezen we over een georganiseerde motorrit, een soort wedstrijd. Bij een deelnemer breekt de zuiger. Hij loopt in een paar uur naar het station, pakt de trein naar Arnhem, waar hij bij een motorzaak een ongeveer passende zuiger vindt. Die wordt op de correcte diameter afgedraaid en de reiziger gaat met het kleinood terug naar zijn motor, die door zijn passagier op een huifkar is geladen en in een dorpje wat dichter bij Arnhem bij een smidse is gelost. De kapotte zuiger is intussen al gedemonteerd. De nieuwe zuiger wordt gemonteerd en de techniek wordt weer opgebouwd. En het team is terug in de race, of beter gezegd: de rit van circa 130 kilometer. Bij het afvlaggen zijn ze geëindigd op de vierde plaats.

Een andere deelnemer was trouwens met passagier en al over de kop gegaan toen hij bij een illegaal afsnijdinkje van de route tussen twee bomen door wilde rijden. Die bomen stonden iets dichter bij elkaar dan het stuur breed was.

Dat was heel vroeger. Nu rijden motorrijders blind op hun navigatie. En als je op een bospad even stopt voor een slok koffie uit de thermoskan en wat nicotine, dan belt de alarmcentrale om te melden dat je al twintig minuten niet hebt gereden. Of alles nog wel in orde met je is?

En mocht je pech hebben? Dan is er de mobiliteitsgarantie en mag je boos zijn als de vervangende motorfiets niet aan je smaak voldoet.

En wij, de gewone klassiekerliefhebbers? Onze spullen zijn onnoemelijk veel beter dan die uit de begintijd. We kennen een Gold Wing-rijder die met alleen het reguliere onderhoud 240.000 kilometer op de teller heeft staan en die zijn motor zonder nadenken pakt voor een spontaan weekend Vogezen.

Met onze klassiekers zitten we in het mooie gebied tussen oud en nieuw. En als je naar de nieuwprijzen van motorfietsen kijkt, dan rijden we ook nog eens bijna voor niets.

Heel vroegah
Heel vroegah
Heel vroegah

Schrijf je in en mis geen enkel verhaal over klassieke auto’s en motoren.

Selecteer eventueel andere nieuwsbrieven

4 reacties

  1. Het nieuwe spul mag dan niet vaak stuk gaan maar als dat wel het geval is loop je leeg. Onderweg pech = afvoeren.

    Het oude spul blijft lang doorlopen ook als je rare geluiden uit het vooronder komen. Een verslag gelezen van iemand die met gebroken zuigerveren (vorige maand) vanuit Spanje naar Nederland is gekomen. Wel regelmatig wat olie bijvullen ….

  2. Een motor uit de pionierstijd hebben lijkt me niet alleen een uitdaging, maar stiekem ook geweldig.
    Helaas is de rest van het verkeer gewoon met de tijd meegegaan, dus moet je vooral ver…heel ver..vooruitkijken met dergelijk oud spul.
    Ik kijk op joeptjoep vaak naar filmpjes van London-Brighton/ Pioneersrun, en eigenlijk weerhoudt alleen de prijs me van dergelijk mooi oud metaal.
    Want poeh…; die zijn stevig!
    Een Triumph type H uit WO I kost hetzelfde als een nieuwe uit 2026…
    Voor het oudere spul, dus uit de 1900-1925 wordt serieus geld gevraagd.
    Vaak een rustig ploffend eenpittertje, want toerentallen mochten ivm de materialen van toen niet te hoog zijn.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Maximale bestandsgrootte van upload: 8 MB. Je kunt uploaden: afbeelding. Links naar YouTube, Facebook, Twitter en andere diensten die in de reactietekst worden ingevoegd, worden automatisch ingesloten. Bestanden hier neerzetten