Sluitingsdatum julinummer -> 19 mei
Alvast vakantie herinneringen… – column
Als het weer weer wat beter wordt, dan komen de vakantieherinneringen ook weer terug. Eens kijken wat deze zomer gaat brengen. Maar dit zijn wat herinneringen
Hotel du Liverpool
Vanuit Brummen naar Calais binnen één dag? Moest kunnen! Moderne motorkleding is fantastisch. Maar na krap 400 verregende kilometers kwamen we toch in Calais aan alsof we vanaf de White Cliffs of Dover waren komen zwemmen. In elk hotel of kamerverhuurdingest struikelden de baliekluivers over hun woorden terwijl ze ons verzekerden dat ze vol, absoluut volgeboekt zaten. Echt! “Toute complet!”. Naast ons kreeg een droog koppel automobilisten schaamteloos de sleutel van hun kamer. Wat moedeloos sjokten we weg. Totdat we tegen de wat wankele gevel van Hotel du Liverpool aanliepen. Bij onze binnenkomst schrok de dame achter de balie wakker. Zestigplus. Een ontploft grijs kapsel en een bril met heel dikke glazen die met veel plakband aan elkaar hing en scheef op haar hoofd stond. Ze leek geschrokken en wankelde wat. Het was enorm warm in het halletje. “Mais vous êtes des motards! Vous êtes tellement humides!” En of we verschrikkelijk nat waren!
Tegen de schrik nam ze een paar stevige slokken uit haar glas wijn en schonk zichzelf snel bij. Uitdroging is een verschrikkelijke dood. Ze ging onmiddellijk kijken of ze een kamer, of kamers voor ons vrij had. Van waar we stonden zagen we dat ze het gastenboek ondersteboven hield. In de vlekkerige spiegel achter haar zagen we dat ze ernstig bladerde door lege pagina’s. En raad eens wat? Er was ruimte voor ons. De kamers waren net zo heet gestookt als het halletje. We hingen onze natte plunje in een andere lege kamer, douchten, deden droge spullen aan en we gingen onze brommers maar eens ophalen en wat eten. Onze landlady lag met haar hoofd op haar bureau te snurken met een leeg glas en een lege fles naast haar rechterhand. Terug bij ons hotel bleken we niet meer naar binnen te kunnen. Lichten uit, deuren in elk geval op een slot waar onze sleutel niet op paste. We waren niet in de mood om de gevelartiest uit te hangen.
Aan het binnenpleintje waar we onze motoren hadden gestald, stond een soort schuurtje. Er lagen wat dekkleden en zo in. We vonden het wel mooi geweest. We maakten onze eigen bedjes en vielen tevreden in slaap met de zekerheid dat onze spullen de volgende dag droog zouden zijn. Die volgende dag begon met zon. We gingen Calais in om te ontbijten. We liepen een rondje en kwamen weer bij Hotel du Liverpool aan. Daar nipte de hoteleigenaresse net voorzichtig aan een glas rode wijn. Ze begroette ons enthousiast en vrolijk: Alors mes amis! Est ce que vous avez bien dormi? In alle onschuld. Of we lekker geslapen hadden. Zoveel warm menselijke interesse. Hotel du Liverpool. Een echte aanrader!
Rostock by night
Ik zat op een terras in Rostock. Er kwam een ouwe, gestripte Goldwing over het plein daveren. Het ding maakte een U-bocht. Stopte. De berijder schopte de jiffy uit en kwam naar me toe. Hij was groot, anabool breed en dubbel getatoeëerd. Een buiker in plaats van een biker. Met een Totenkopf beringde hand gebaarde hij naar mijn Ural combinatie. “Mensch, was machst du hier mit so ein blödes Ding?!” Dat moest dus uitgelegd worden. “Setze dich und nimm ein Bier.” Mijn tafelgenoot die er uit zag als een geslaagde Disney Neo Nazi met veel Nationaal Socialistische opdruk stelde zich voor: “Großer Dirk”. Maar zijn bikerclub naam was Adelwolf. Ik heet Dolf. “AH,… Adolf? “ “Jawel, maar dan wel via de Indische kant.” En de betreffende opa Dolf was zoekgeraakt toen het koopvaardijschip waarop hij voer door een Japanse onderzeeër getorpedeerd werd. “Ach so. Dass war ja alles damals. Scheisse war dass.“
Adelwolf bleek voorzitter van de lokale bikergang. Lui tot een jaar of dertig. Redelijk tot goed opgeleid. Werkeloos. Kansloos. Want voormalige Oost-Duitsers werden immers gediscrimineerd. “Scheisse!” We namen nog een pot bier. Het dienstertje behandelde me met nieuw ontzag. Ik was blijkbaar in goed gezelschap. Dikke Dirk moest weer verder. Hij zei dat, als ik om een uur of acht weer hier zou zijn, mee zou mogen naar de clubavond. Om 20.01 uur daverden er vier motoren het plein op. Ze blijven precies, die Duitsers. Er werden handen geschud. Namen uitgewisseld. In colonne verdwenen we naar het buitengebied. Duitsers zijn gek op colonnes.
Er stond een verlaten loods die door de club geadopteerd was. We waren niet de eersten. Want er stond al een krap dozijn oudere, zware Japanse fietsen op het hof. Adelwolf werd respectvol verwelkomd. Ik, als genodigde werd vriendelijk ontvangen. De krat bier die ik uit het span haalde werd met gespeelde verontwaardiging aangenomen. “Wenn wir einer einladen, braucht der nichts mit zu nehmen!” Maar toch: “Skol!” Ze zagen er dan in burgermansogen wat eng uit. Maar het waren aardige mensen. Met hun maatschappelijke beperkingen maakten ze er wat van. Er was een dikke twintig man. Er waren een paar biker girls. Er was bier, bratwurst.
Op het vuur werden er aardappels in de schil gepoft. Later bleek de schuur in gericht te zijn als bar, werkplaats, motorsloop en voorraadschuur. Een hefbrug. Veel gereedschap. Tussen de slopers stonden een paar recentere motoren met buitenlandse platen. Er stonden wat dozen met literflessen wodka. Zo’n honderd dozen. Achter de bar slingerde een shotgun. Op het perceel achter de loods groeide hennep. Bijverdiensten en beveiliging waarschijnlijk. Het werd steeds later. Het bleef gemoedelijk. Er werd stevig geblowd. Ze reden rondjes met mijn Russische zijklepper. Een soort onbevangen Achterhoekse gezelligheid. Op een gegeven moment werd me gevraagd of ik een slaapplaats voor de rest van de nacht had. Nee dus. Ik mocht slapen in de ‘Gäste Zimmer’. En die bleek geventileerd, schoon opgemaakt met vers beddengoed. In Duitsland hebben outlaw biker gangs nog hun normen en waarden.
De zomer is voorbij
De afgelopen zomer was er een met een gouden randje. We gingen naar de Kanaaleilanden, les Îles Anglo-Normandes, en hadden begrepen dat die zowat op ware grootte op Google Earth staan. Daarom leek het niet nodig het eigen vervoer er mee op te nemen voor het laatste stukje. En weer daarom konden we met een snelle catamaran vanuit Dielette naar Guernsey. We maakten de hele trip over land over de smalste wegen en kwamen zo de derde dag al zo’n 800 kilometer van huis. Bij het naderen van Dielette waanden we ons op een tijdreis.
Het dorpje dat daar onder ons zo dapper tegen de hoge, wit gekuifde, flessengroene golven wreef was 100% 1960. We bedachten dat de omgeving al eerder zo sereen rustig was geworden. In het dorpje zelf vonden we hotel Du Phare, inclusief een ruime eetzaal. Het uitzicht van uit onze kamer was zo mooi dat we ter plekke besloten er een nacht extra te doen. Voor het avondeten gingen we nog een stukje lopen en merkten dat er, net om de hoek van de kaap en keurig uit het zicht, nog geen kilometer van ons hotel een kerncentrale stond.
Een inboorling wees trots naar rechts, waar er in de verte nog iets groots tegen de lucht schemerde. Dat was de omwerkingsfabriek van La Hague. Het rustieke Dielette ligt gesandwicht tussen twee nucleaire installaties. Om de scherpte van dat idee af te halen heeft de Franse overheid van alles aan het landschapsbeheer gedaan. Maar toeristisch blijft het een hartveroverend niemandsland. Landschappelijk een soort ‘Engeland+’. Alleen verschoot het diensterke in Du Phare wat van mijn antwoord op haar vraag hoe ik mijn lam wilde: “Quand ç’est mort, ça suffit.” “Als het maar dood is…” We besloten de brommers aan de wal te laten. De catamaran naar Guernsey hebben we bij zware zeegang getest. We werden er ziek op en besloten af te zien van verdere island hopping. Vanaf Guernsey zouden we gewoon weer naar het vaste land gaan. De musea op Guernsey zijn fantastisch. Ze gaan allemaal over WO2 en er staan motorfietsen. Ook een Russische M72 die doet alsof hij een BMW is!
Het bedienend personeel op het eiland is voornamelijk vrouwelijk, vriendelijk, blond en Lets. We hadden Guernsey met twee nachten wel gezien en gingen terug. De terugreis verliep zonder zeeziekte. Na kort beraad besloten we op onderzoek te gaan in het nucleaire pretparklandschap in de regio. Dat landschap miste de zo typerende Franse nonchalance. Het wegdek van de vaak lui slingerende wegen was voortreffelijk. De stranden breed. We geraakten in een B&B dat gerund werd door een Brits echtpaar waar van de man de blik had van iemand die tot voorbij alle grenzen getergd is en die een mollige, in een nogal blote bloemetjesjurk geklede echtgenote had, die in een staat van constante, hysterisch blije uitbundigheid verkeerde.
Het ontbijt bestond uit losse componenten die samen zo’n compleet English Breakfast vormden dat de Atlantic Wall er bij in het niet viel. De landlady sprak uitsluitend Engels. Ook tegen het laat in de avond aangespoelde Franse echtpaar dat verbijsterd naar de enorme hoeveelheden cholesterol op het ontbijtbuffet staarde. We bromden blij van zin door het landschap. Doelloos koersend op zon en wind. Het doel van de reis is de reis. Niet het eindpunt. We deden een terrasje. Raapten een gevallen scooterrijdster op. Kalmeerden haar. Verbonden haar en gebruikten een paar meter Ducttape om haar Chinese Tupperware weer aan elkaar te plakken.
In La Pichotiere troffen een voormalig coureur die na zijn pensioen tevreden verder sleutelde aan de machines waar hij ooit wedstrijden had gereden. Le Mont Sint Michel bleek na zeven uur ’s avonds zo goed als verlaten zoals Jean Françios Marcadé, de op Gérard Depardieu lijkende uitbater van ‘Le Relais de la Hardiesse’ in Courtils beloofd had. Daar dronken we na het bezoek aan Mt. Mich en voor het slapen gaan een extra glas Calva en genoten we van de door de lucht tuimelende vleermuizen. Oh ja, de terugreis deden we in één ruk over de snelweg. Want zo’n weekje vakantie is voorbij voordat je het weet.
Gezag is goed!
De Autoroute du Soleil. Te heet voor de motor en zijn berijder. De vakantiestroom loopt weer noordwaarts. Massa’s gele kentekens, vut-rekken vol fietsen en caravanisten. Doorgaand vrachtverkeer.
Maar de tijd om de terugweg te rijden is te kort voor de schilderachtige route over de Routes Nationaux. De leren broek blijft aan. Het motorblok straalt te veel warmte uit voor een korte broek. Boven de gordel: een valveilig T-shirt met de tekst ‘The KGB is still watching you” Pfahhh. Hebben ze zeker nog niet van de AIVD gehoord. En onze eigen Poesjkins.
De ROOF boxer helm staat helemaal open. De zonnebril met holografische oogbollen houdt de meeste wind uit de ogen. Met 130 op de teller draaft de oude Moto Guzzi braaf door. Moet ook. Hij heeft bijna twee en een halve ton de tijd gehad om het te leren.
Het wordt weer tijd voor een stop. Op de Aire de Tournalet. Het is er – met excuses voor het taalgebruik – Godallejezus druk. Een miljoen Nederlandse caravanisten. Tweehonderdvijftigduizend trucks van alle nationaliteiten. Duizenden Fransen die het ook even niet meer trekken. Her en der staan motorfietsen geparkeerd. Onopgevoede Nederlandse kinderen uit de caravantrekkers zwalken rond en zijn het levende bewijs dat hun ouders feitelijk elk recht op voortplanting ontnomen moet worden. De helm is nog niet af of een Kevin of Kjelt zit al aan het gashendel van de motor te draaien. Het kind krijgt een tik. “Opzouten kutkleuter!” De hitte maakt korzelig.
Terwijl de brand net in de sigaar is gestoken, komt er een boos ouderpaar met de Kevin of Kjelt plus een Anita of Kimberly. Of ik hun kind heb geslagen? Jazekers. “En ik sta nu op het punt om jullie af te rossen.” De familie trekt zich bescheiden terug. De vrouw gilt tegen haar man “Dat laat je je toch niet zeggen!? Lul!” Gilt tegen mij: “Asociale kanker motorrijder!” Daar wordt vanavond weer geruzied in plaats van gevreeën. Zo komt er geen derde kind. Goed zo.
De sigaar brandt. Nicotine verdrijft vrije radicalen. Prima. Want die zijn slecht. Erg slecht. Een colonne Russische vrachtwagens verlaat de Aire. Dat maakt plaats voor een stationair draaiende Portugese koel oplegger en een blauwgele combinatie van Betz met zijn twee ex Oostblokchauffeurs voor de prijs van een.
Een overstekende moeder met kind wordt bijna overhoop gereden door een Duitser op een KTM die op zijn achterwiel vertrekt. Er komen twee motoragenten de Aire op gereden. Ze hebben overhemden met korte mouwen aan. Ze rijden op BMW’s. Ze stoppen. Zetten de motoren op de zijstandaards. Doen hun Ray Ban zonnebrillen af. Zetten hun helmen af. Doen hun zonnebrillen weer op. Twee doodkalme mannen in uniform met korte mouwen en kort geknipte haren. Ze laten hun loodzware blikken over de aire dobberen. Ze heersen. Met hun tweeën hebben ze de totale overmacht over minstens vijfhonderd mensen. Een moeder raapt gauw een lollypapiertje van de grond. Een motorrijder loopt de volle vijf meter om zijn sandwichverpakking in de vuilnisbak te doen.
In sommige landen is een agent nu eenmaal niet iemand om gekkigheid mee uit te halen.

Geweldig genoten en nog heel herkenbaar ook nog, top , schrijven kan Dolf wel lekker blijven doorgaan zo.
Tja, die Dolf beleefd wat op z’n ouwe dag, romantisch sausje er over,klaar is kees!
Stukjes schrijver is ook een vak.
Gewoon doorgaan…….
Het gezegde is dan wel, hoe ouder hoe gekker, maar klopt dat nog wel? De verhalen worden steeds beter, gesynchroniseerd met de creativiteit van het schrijven
Ik heb genoten Dolf..