Sluitingsdatum meinummer -> 17 maart
Alpine A110 GT4 probeerde jonge gezinnen over de streep te trekken: Plezier voor vier
Dat krijg je er nou van wanneer de ene eigenwijze Fransman de andere onder druk zet. Met lichte tegenzin liet Jean Rédélé zich door zijn schoonvader aansporen om een gezinsvriendelijke sportwagen in zijn programma op te nemen, de Alpine A110 GT4. Denk dus vooral niet dat hij alle registers opentrok om deze variant te vermarkten en zo bleef deze slechts 263 keer geproduceerde auto altijd een grote onbekende.
Tekst & fotografie: Aart van der Haagen
Hoofdrolspeler in dit bijzondere stukje Alpine-geschiedenis is Charles Escoffier, een Parijse Renault-dealer en eersteklas zakenman. Hij had zijn schoonzoon Jean Rédélé in 1955 al in het zadel geholpen als aanvoerder van een nieuw sportwagenlabel, geconcentreerd rondom het idee van een lichte kunststof koets met onderhuids betrouwbare Renault-techniek, in dit geval van de 4CV. Glasvezelversterkt polyester stond in Europa nog in de kinderschoenen. Maar carrosseriebouwer Chappe et Gessalin maakte dankbaar gebruik van de know-how die in Amerika reeds bestond op dit gebied en tot wasdom kwam in auto’s als de Chevrolet Corvette en de Kaiser Darrin. Terwijl Rédélé een leuk businessmodel vond in de kleine serieproductie van zijn sportieve uithangbord, begon Escoffier na te denken over een volgende stap. Hij hamerde er bij zijn schoonzoon op dat Alpine zijn gamma moest uitbreiden met een uitvoering die ten minste twee kinderen achterin kon herbergen, om daarmee jonge vaders voor zich te winnen.
Tegen zijn principes
Rédélé liep er op zijn zachtst gezegd niet warm voor, want als race- en rallyfanaat wilde hij zich alleen inlaten met compromisloze sportwagens. Maar Escoffier liet zich niet van zijn idee af brengen en gaf Chappe et Gessalin opdracht om een 2+2-zitter op basis van de toen actuele A108 te scheppen, die met een zeven centimeter langere wielbasis in 1960 op de markt kwam. Het was een gedrocht, met een rare hoekige daklijn en staartvinnen, die helemaal niet bij het deels gebruikte oorspronkelijke ontwerp pasten. Een belediging van het merk bijna, maar dat veranderde een ruime twee jaar later, toen Alpine tezamen met de nieuwe A110 Berlinette in de herfst van 1962 op de Autosalon van Parijs een vloeiend gelijnde opvolger presenteerde. Ditmaal een versie met een honderd procent eigen koets, niet gehandicapt door het verwerken van een bestaande neus in een nieuw geheel.
Alpine A110 GT4 uit Mexico
Motorisch volgde de GT4 min of meer het aanbod van de 35 kilogram lichtere Berlinette en daarbij tekent zich een waanzinnig contrast af tussen het tamme eenlitertje uit de beginfase en Gordini’s heetgebakerde 1300 uit latere jaren, met als gulden middenweg een 1100 in twee behoorlijk uiteenlopende vermogensvarianten. Evengoed bleef de 2+2-zitter bijzaak voor Jean Rédélé. Tussen eind 1962 en 1969 liet Chappe et Gasselin (gevestigd in Brie-Comte-Robert, nabij Parijs) slechts 263 koetsen met interieur afleveren bij de kleine fabriek in Dieppe, die er alle techniek onder bouwde. Toch houdt het verhaal daarmee niet helemaal op, want er liep een licentieovereenkomst met de firma Dinalpin in Mexico, die in de periode 1965 tot en met 1974 nog eens 118 stuks vervaardigde. Zo gek was dat idee van Charles Escoffier dus niet, hoewel je in geen geval over serieuze verkoopaantallen kunt praten.
(Het verhaal gaat hieronder nog verder met de foto’s.)
