Sluitingsdatum septembernummer -> 21 juli
Vakantie 4 – De kasteelvrouwe
De afgelopen dagen was het te heet. Ik had het idee om als een Afrikaan onder een boom te gaan zitten en te wachten tot de hulpgoederen zouden worden ingevlogen. Kansloos.
Motorrijden? Daar was het te warm voor. Het verder afbouwen van de zijklepper? Onder het zwarte bitumendak van de garage? Ook kansloos.
Het herinnerde me aan een soortgelijke hittegolf in de buurt van Preuilly, in Midden-Frankrijk. We waren daar, waar toen nog dik 200 mensen woonden, aangeland, of eigenlijk gestrand, na een lange, hete dag. Twee klassieke Britse – toen nog gewoon ‘ouwe’ – fietsen werden niet blij van 35 graden onder een strakblauwe hemel. Er was een band geplakt. En bij de BSA – “Je gaat toch niet op dat ding?! Daar halen we Luik niet eens mee!!” – klonk een voorwiellager als een babybetonmolentje. De planning lag overhoop. Het was na vieren. En dan wordt het in Frankrijk moeilijk om onderdak te vinden. We vroegen een lokale bewoner om advies. “Vous pouvez demander au Hollandais fou, là-bas dans le château.” Vragen bij de gekke Nederlander in het kasteel dus. Dat kasteel was een oud, fors landhuis met kapsones.
De entree was indrukwekkend. We werden begroet door een naar schatting dertigjarige man met sluik zwart haar. Hij had het voorkomen en de uitstraling van een crimineel uit een film uit de jaren dertig. Hij loensde en zei ons te wachten. De uitbaatster verscheen. Een riant geboetseerde eind-vijftigster, begin-zestigster met een peuk in haar mond. Een soort kasteelvrouwe waarvan de uiterste houdbaarheidsdatum duidelijk was overschreden. Ze bekeek ons met een kennersoog en zag blijkbaar geen redenen om de hond en de butler op ons af te sturen.
Voor de zekerheid begonnen we in het Frans te vertellen dat wij Nederlanders waren. We bleken de juiste persoon voor ons te hebben. De kasteelvrouwe was ons genadig. We kregen kamers en het aanbod om op het kasteel de avondmaaltijd te gebruiken. Douchen was even moeilijk in verband met de waterdruk. Maar we mochten gebruikmaken van het zwembad. Dat bleek bijna dichtgegroeid met een soort zoetwatersla en het water was lauw. We kregen de sleutels van een krakkemikkig Toyotaatje om een krat bier te gaan halen. Die moesten we wel even voorschieten. Want de freule was eventjes blut. Maar, verzekerde ze ons hoestend, bij het eten zou er voldoende wijn zijn. De Toyota had Nederlandse platen, een doodvermoeide koppeling en nauwelijks remmen.
In de duisternis van de dorpswinkel annex kroeg zaten wat loom aangeschoten mannen Ricard te drinken. En wijn. “Ah, vous êtes avec la sorcière hollandaise.” “Jullie zitten bij de Nederlandse heks.”
We dronken een paar glazen met onze tipsy vrienden. De heks had veel mannen gehad. Veel kinderen. Ze werkte niet. Ze had het kasteel gekocht. Dat was dom geweest. Want in de oorlog hadden ‘les Boches’ er mensen gemarteld. Maar onder het kasteel zouden ’s nachts Duitse vrachtwagens een tunnel zijn ingereden. Om er dingen te verstoppen die nog niemand had gevonden.
Misschien was de Hollandse niet Nederlands, maar Duits en op zoek naar de oorlogsschatten. En de man die we als butler of crimineel hadden ingeschat, was haar geliefde. En hij sloeg haar regelmatig. En kweekte ‘drugs’ op het zonnige platte dak.
Thuis op het kasteel was de kasteelvrouwe ook al niet helemaal helder meer. Het bestek lag losjes op een oud zijden tafelkleed. De spinazie was zo uit de diepvries ontdooid en had de vorm van het kartonnen doosje keurig behouden. De aardappeltjes waren prima. Het vlees ook. Op de wijn was ook bar weinig aan te merken. Maar dat kon ook komen omdat wij op dat moment wat minder kritisch waren.
We hoorden dat onze kasteelvrouwe zeven kinderen van zes verschillende vaders had. Of omgekeerd. Een van die kinderen, die met de Ierse vader, zou de volgende dag met vier vrienden komen. Dat deed hij elk jaar. Dan kochten ze lokaal vijf Citroën DS’en en reden daarmee naar Nederland. De auto waarmee ze gekomen waren, bleef dan in Preuilly. Daarmee reed de kasteelvrouwe vervolgens een jaar onverzekerd rond. Tot het volgende automobiele gebakje werd aangeleverd. Ah! Dat verklaarde de drie wrakken op het achterterrein.
Onze kamers achter de dikke muren waren schoon en koel. We sliepen als rozen. De volgende dag mochten we – weer op eigen kosten – stokbrood halen. Toen we uitboekten om de dag te besteden aan het zoeken van een wiellager voor de BSA, werden het bier en het brood dat we zelf hadden gehaald en betaald met losse hand op de nota bijgeschreven.
En die hele dag was het ook al zo warm. Onze volgende overnachtingsplek was een bijna vergeten familiehotelletje dat was ingebouwd tussen een industrieterreintje vol onduidelijkheid. De uitbaters waren blij verrast met ons bezoek. Een naar schatting twaalf jaar oud zoontje deed, keurig gekleed, de bediening. Het eten was voortreffelijk. De witte wijn heerlijk. Later schoof de familie bij ons aan tafel. Het werd weer laat. Op mijn kamer zag ik dat de naar binnen draaiende ramen lichtdicht van gordijnen waren voorzien. Ik gokte op wat nachtelijke verkoeling en deed de ramen open. Op dertig centimeter van mijn raam stond de golfplaten wand van een hal die pal naast het hotel was neergezet. En het bleef warm.

Kort geleden dez story al verteld; kan het zijn dat je gelode wisky hebt gedronken?!
Leuk verhaal weer Dolf.
Ik zie het helemaal voor me zoals je het beschrijft.
Ik ook , whahaha !!
Dat omzetten naar kogellagers heb ik ook gedaan met mijn R45 (nu65) De rollenlagers voren waren naar de eeuwige jachtvelden. De latere modellen hadden kogellagers van gelijke buitendiameter (sorry dat ik het lagernummer niet meer van buiten weet) Zo heb ik op de draaibank enkel de afstandsbus tussen de lagerbinnenringen nauwkeurig moeten inkorten. Daarna de kogellagers erin en de rest is geschiedenis. Is zeker al 10 jaren geleden of zo. Eigenlijk al zowat vergeten. Was eigenlijk plug & play🤓
Je kunt ook het Franse (stok)brood murw kauwen en je wiellagers mee smeren. Mooi verhaal!
Wat voor jou plug and play is is voor veel anderen tovernarij!
Mijn zoektocht naar een nieuw wiellager bleek aanzienlijk eenvoudig nadat ik besloot tijdens restauratie van mijn legerzijklepper de naven uit te laten draaien door GD uit M.
Hierdoor verviel de noodzaak om met losse rollagers te werken, en moderne kogellagers te monteren.
Ergens in de buurt van La Rochelle in de Ardennen begon mijn achterwiel harder en luider te knarsen.
De eigenaar van de lokale botenwinkel/ ijzerhandel in Jemelle had ze gewoon op schap liggen, en een vader die me een sleutelplek onder zijn overkapping en gereedschap uitleende.
“Ah, la moto des Américains!” en plofte neer op een krukje en keek toe hoe ik in een uurtje tijd het wiel voorzag van een nieuw wiellager.
Een fles La Chouffe als dank werd met zwaaiende handen afgeslagen door de oude man.
“Non-non; c’est à toi d’en profiter!”…..dan niet…
Ze zijn er nog; mensen die zonder eigengewin hulp bieden aan een ander.
Bij ons heet dat ‘noaberschap’, in Wallonië kennen ze het ook.