Sluitingsdatum aprilnummer -> we zijn aan het afsluiten
Renault Rodéo. Functioneel en recreatief antwoord op de Mehari
Minimalistische strandauto’s zijn een Franse specialiteit. Toen in 1970 de productie van de Renault 4 Plein Air werd beëindigd, hoefden liefhebbers van frisse lucht niet te treuren, want de Renault 4 Rodéo kwam als beoogde opvolger op de markt verschenen. De R4 Plein Air was nooit leverbaar met vaste deuren en een dak, waarmee het volledige ‘open compartiment’ kon worden afgesloten. De Rodéo 4 is daarentegen in diverse uitmonsteringen leverbaar en moet zo een belangrijk tegenwicht voor (onder meer) de Citroën Mehari gaan vormen.
Meervoudige inzet
De auto was initieel bedoeld als recreatievoertuig, maar al gauw vond de Renault 4 Rodéo zijn ware bestemming vooral op bouwplaatsen en boerderijen, bij ontwikkelingsdiensten en zelfs bij het Franse leger. Dat was te danken aan de bewezen, robuuste basis van de Renault 4 Fourgonnette, de extra lange veerwegen voor hobbelige ondergrond en de ongevoelige glasvezelversterkte kunststof carrosserie. Praktische overwegingen wogen zwaarder dan de schoonheid van het ontwerp.
Vijf leveringsvarianten
De productie van de Rodéo vond plaats bij de Ateliers de Construction du Livradois (ACL) in Arlanc. Daarom droegen de vroege versies ook het ACL-logo. De Renault 4 Rodéo was verkrijgbaar in vijf varianten: als open pick-up zonder kap en deuren (“Evasion”), met stoffen cabinedak en pick-up-laadbak (“Chantier”), met een doorlopend stoffen dak over zitplaatsen en laadruimte (“Coursière”), met extra stoffen zijpanelen, zijruiten voor en achter en kunststof deuren (“Quatre Saisons”) en met een volledig gesloten, ondoorzichtige stoffen kap (“Artisanale”).
Praktisch en leverbaar met 4 x 4
Van noemenswaardig comfort was, met uitzondering van een verwarming in de “Quatre Saisons”, geen sprake. Daar stond tegenover dat vuil en modder na gedane arbeid eenvoudig met de tuinslang konden worden afgespoten. Op verzoek bouwde het bedrijf Sinpar de Renault 4 Rodéo om tot vierwielaandrijver, waarmee het inzetgebied van deze minimalist nog verder werd vergroot.Onder de motorkap van de 640 kilogram lichte Renault 4 Rodéo lag de 845 cc Cleon-Fonte motor, die goed was voor een vermogen van 25 kW (34 pk).
Grotere broer, de Rodéo 6
Vanaf de herfst van 1972 werd ook de Rodéo 6 aangeboden, die zich door een aangepaste carrosserie en een grotere motor van de Rodéo 4 onderscheidde. Hij beschikte over de 1108 cc-motor én over de bodemplaat van de R6, die iets steviger was en ruimte liet voor een grotere spoorbreedte. Opmerkelijk was dat het front korter was dan dat van de Rodéo 4. De carrosserie was opnieuw vervaardigd uit glasvezelversterkte kunststof. Verder monteerde men een rolbeugel, en was het net als bij de ‘4-variant’ mogelijk om de auto op speciaal verzoek uit te rusten met de 4 x 4 aandrijving van Sinpar. Vanaf modeljaar 1980 kreeg de Rodéo 6 de 1289 cc-motor uit de Renault 5 GTL (45 pk). Men nam gelijk de gelegenheid te baat om een facelift door te voeren, en dat was met name aan de voorzijde zichtbaar. Daar paste men nu de koplampunits van de R14 toe. Bovendien waren de voor- en achterbumper groter. In tegenstelling tot wat weleens wordt beweerd liepen de 4- en 6 versies van de Rodéo samen door tot in 1981. Dat was het jaar dat de productie van beide typen eindigde.
Nieuw ontwikkeld, de Rodéo 5
In september 1981 verving de nieuw ontwikkelde Rodéo 5 de genoemde versies. Het platform was van de Renault 4 Fourgonnette. terwijl de aandrijflijn afkomstig was van de Renault 4 GTL. De carrosserie werd echter volledig nieuw ontworpen en kreeg een eigentijdse vormgeving. Voor de Rodéo 5 ontwikkelde Teilhol een buizenframe van staal, waaraan versterkte polyester carrosseriedelen werden bevestigd. De Rodéo 5 was leverbaar als “Quatre Saisons”, met deuren en zijruiten, en als “Plein Air”, zonder deuren en zijramen.
‘Kleur per jaar’
De carrosserie had een tweekleurige uitvoering. Het frontpaneel met grille en verlichting was, net als de A-, B- en C-stijlen en de rolbeugel, uitgevoerd in een donkere tint (meestal zwart of bruin). Motorkap, spatborden en deuren kregen juist een contrasterende, lichtere kleur. Elk modeljaar leverde Teilhol slechts één kleurvariant: in 1982 oranje, in 1983 groen, in 1985 okergeel en in 1986 ivoorkleurig. In 1984 bracht Renault bovendien de speciale uitvoeringen Hoggar en Sologne uit. Verder was het ook nu weer mogelijk om de auto op speciaal verzoek uit te laten rusten met de 4 x 4 aandrijving van Sinpar. Eind 1986 werd het model zonder opvolger uit productie genomen, en was het gedaan met het Rodéo tijdperk, waarbinnen in totaal 60.000 exemplaren van de band liepen.

Ik moet bekennen, in kende hem niet!
De Citroën Mehari was natuurlijk bekend in het straatbeeld. Mooier nog, mijn buurjongen reed er toen eentje. Een olijfgroene, zo in mijn herinnering. Het 2CV motortje maakte telkens duidelijk wanneer hij naar het werk vertrok. Enfin. Een Rodeo moet qua prestaties echt beter geweest zijn met zijn grotere motor. Jammer dat ik de Rodeo nooit gezien heb. Althans als dat zo was, heb ik dat niet bewust meegekregen. Jammer