Bijzonder

De Benelli 500-4. Beter goed gestolen dan slecht bedacht

By  | 

Voordat Benelli een Chinees bedrijf werd… Nee. Dat is flauw. Sinds heel veel Harley, BMW en Triumph spul ook uit Azië komen is mopperen op China geen ding meer.

En dat Aziaten zulke doorgewinterde namakers zijn? Ach, de Laverda 750 twins zijn anabole Honda CB72-77’s en de Benelli 500 cc viercilinder is een bijna loep zuivere kopie van de Honda CB 500 F.

 

DeBenelli 500 viercilinder: Het begin

In augustus 1971 werd Benelli net als die van Moto Guzzi opgekocht door de Argentijnse autofabrikant Alejandro de Tomaso. Die man had beschamend veel geld en de grootste plannen waarvan het beëindigen van de Japanse overmacht in de zware klassen het belangrijkste punt was. De Tomaso wilde dat de Italiaanse motorfiets industrie weer mondiaal de belangrijkste motor industrie zou worden. Zo als dat hoorde. Hij wilde dat snel realiseren, waardoor er geen tijd was zelf nieuwe motoren te ontwikkelen. Het blok van de bewezen goede Honda 500 cc OHC werd daarom feitelijk gewoon gekopieerd. Maar er moest ook een absolute topper komen, en dat werd dan de 500 cc viercilinder x 1,5:, de Benelli 750 Sei zescilinder. Er kwam aan weerszijden nog een cilinder bij, waardoor een 750 cc zescilinder ontstond. Dit motorblok was al in 1972 klaar, maar ook nu duurde de ontwikkeling van het frame langer. Dat is iets tyoisch Italiaans. De Benelli 750 Sei werd pas eind 1974 aan de pers getoond. Intussen was in 1973 dus al die 500 cc viercilinder, de Benelli 500 Quattro, op de markt gekomen.

Strakke lijnen, hoge prijzen

Als ontwerper voor al dat nieuws werd Paolo Martin ingehuurd. Martin kwam van de autodesignstudio Ghia, en had al gewerkt voor Bertone en Pininfarina. Hij ontwierp voor het plaatwerk van beide Benelli-modellen heel moderne en strakke lijnen, maar de motorblokken leken nog steeds erg veel op die van Honda. De prestaties en betrouwbaarheid van beide modellen vielen tegen en bovendien waren ze te duur, ook in productie. Er werden nog wel nieuwe modellen ontwikkeld, zoals de 125 cc eencilinder tweetakten 125 Cross en 125 Enduro en een 250 cc tweecilinder tweetakt, de Benelli 2C, maar dat was allemaal ‘licht spul ’voor de Zuid Europese markten.


In 1975 kwam de 250 Quattro, ontworpen door autodesigner Pierangelo Andreani, de opvolger van Paolo Martin. Dat was een heerlijk kunststukje. Een vertederend schaalmodel. Geen verkoopsucces. Er volgden nog enkele lichtere modellen gebaseerd op de viercilinders, de 350 RS (1976) en de 354 (1978). In 1979 volgden nog twee opgewaardeerde versies van de 500 en de 750, de 504 Sport en de 900 Sei. In 1978 hadden echter zowel Honda (CBX 1000) als Kawasaki (Z 1300) al hun zescilinders gepresenteerd, waardoor de 900 Sei net zo kansloos was als zijn voorganger.

 

Aflopende zaak

Al snel bestond de productie bij Benelli alleen nog maar uit Moto Guzzi’s, het belangrijkste merk voor de Tomaso. Sommige modellen werden door beide merken uitgebracht. De Benelli 2C was ook de Moto Guzzi 250 TS, de 250 Quattro leek op de Moto Guzzi 254 en de 500 Quattro wasnet een Moto Guzzi 400 GTS. Maar die Benelli 500’s ? Die hebben het nooit verder dan een curiositeitswaarde gebracht. En het origineel, de CB500 F was veel beter. Jammer, maar helaas.

Er passen zelfs Honda onderdelen op, aan, en in

suggestiebanner

Ook leuk om te lezen…

Nu in de winkel

Auto Motor Klassiek van februari ligt nu in de winkel met deze maand een uitgebreid artikel over de Taunus 12M P4 van Fokke Jansma uit Wijnjewoude. Een opmerkelijk goed geconserveerde klassieker, die een bijzondere ontwerpgeschiedenis heeft. We mochten ook rijden in een tot in het kleinste detail perfecte Triumph 2000 Roadster. Hoe dat aanvoelt? U leest het in het februarinummer. Mocht u ooit van plan zijn een Opel Senator aan te schaffen, dan is het goed dat u dit nummer in huis heeft, want Aart van der Haagen doet uitgebreid uit de doeken, waar u dan rekening mee moet houden. Het een en ander aan aankooptips vindt u ook bij het artikel over de Citroën Dyane. Een auto die we troffen met zijn eigenaar op een terras tijdens een werkoverleg.

En verder:

De restauratie van een Nimbus Model C en een Norton M50. Waarom er zo weinig Opels over zijn? Dat leest u ook in dit nummer. De liefhebberij van een in Spanje wonende Nederlander, die ook geldt als dé specialist voor de Fiat 130. En ook in dit nummer; bijna dertig pagina’s korte berichten, verslagen, praktische tips, columns en korte typebeschrijvingen. Bovendien natuurlijk ook meer dan veertig pagina’s met klassiekers te koop, die soms online niet verder aangeboden worden.
ABONNEER NU EN MIS HET VOLGENDE NUMMER NIET MEER

Dolf Peeters

Dolf Peeters, automotive journalist, tekstschrijver, vertaler, lid van de Heeren van Arnhem

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *